ECLI:NL:PHR:2001:AB1760
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor belastingfraude ondanks beroep op inkeerregeling
In deze zaak stond de directeur van een BV terecht wegens het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van loonbelastingaangiften over verschillende maanden in 1994. De BV had nihil-aangiften ingediend terwijl er sprake was van een aanzienlijke benadeling van de Belastingdienst. De verdediging voerde onder meer aan dat de vervolging niet ontvankelijk was vanwege het tijdig verstrekken van juiste gegevens (de inkeerregeling) en dat de directeur niet zelf opdracht had gegeven tot de onjuiste aangiften.
Het hof oordeelde dat de ingediende loonbelastingkaarten niet als een duidelijke en kenbare correctie van eerdere onjuiste aangiften konden worden beschouwd, waardoor de inkeerregeling niet van toepassing was. Ook werd vastgesteld dat de directeur feitelijk leiding had gegeven aan de verboden gedragingen, hoewel de bewezenverklaring ten onrechte vermeldde dat hij opdracht had gegeven.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verwierp de cassatiemiddelen. Tevens werd geoordeeld dat de vervolging ontvankelijk was op grond van de toen bekende feiten en dat de opgelegde boete niet onrechtmatig was. De bewezenverklaring werd gecorrigeerd van 'opdracht geven' naar 'feitelijk leiding geven'.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de directeur tot een geldboete van ƒ 15.000,- wegens het opzettelijk onjuist doen van loonbelastingaangiften.