Conclusie
Nummer20/00470 CW
Inleiding
De uitspraak
Beoordeling door de rechtbank
De rechtspraak vanaf 1 januari 2020: verdeeldheid
in samenhangte bezien, heeft willen beperken.
kanzijn geweest dat een verdachte straf moet ondergaan (de eerdere voorwaardelijke veroordeling) vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit, terwijl de verdachte in hoger beroep van dat feit wordt vrijgesproken. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de parlementaire behandeling op geen enkele wijze blijkt dat deze consequentie onder ogen is gezien, laat staan uitdrukkelijk is beoogd.
Het wettelijk kader
De wettelijke regeling in historisch perspectief
Stb.593. Voortaan diende de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging op grond van een schending van de algemene voorwaarde gelijktijdig plaats te vinden met de behandeling van het nieuwe, ten laste gelegde feit (art. 14h, tweede lid, (oud) Sr). Een toewijzing van de vordering kon slechts plaatsvinden in geval van een veroordeling ter zake van dat feit (art. 14g, derde lid, (oud) Sr). Daarmee was de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging accessoir geworden aan de beslissing op de tenlastelegging. De concentratie van de behandeling van tenlastelegging en vordering tot tenuitvoerlegging bevordert de proceseconomie. Gelijktijdige behandeling kan ook bijdragen aan samenhang in de sanctietoemeting in gevallen waarin de grondslag voor beide beslissingen is gelegen in het nieuwe strafbaar feit. [19] Daardoor kunnen tegenstrijdige rechterlijke beslissingen worden voorkomen. [20] Ingevolge art. 361a Sv houdt het vonnis [21] in geval van gelijktijdige behandeling van de tenlastelegging en de vordering tot tenuitvoerlegging ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.
Oplossingsrichtingen
Het EVRM
No one shall be deprived of his liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:
Böhmer [48] had het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf bevolen op de grond dat de veroordeelde een nieuw strafbaar feit had begaan. Het verloop van de strafzaak werd niet afgewacht. Het gerecht dat op de vordering tot tenuitvoerlegging besliste, had ondubbelzinnig geoordeeld dat de veroordeelde zich had schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en was aldus vooruitgelopen op het oordeel in de strafzaak. Volgens het EHRM was daarmee art. 6 EVRM Pro geschonden. Het EHRM wijst in dit verband op verschillen met eerdere zaken, waarin de Commissie verzoekers niet-ontvankelijk in hun klacht had verklaard. Daarbij ging het onder meer om gevallen waarin de strafrechter na een veroordeling wegens een nieuw feit de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelastte en om gevallen waarin in de motivering slechts was verwezen naar een bestaande verdenking dan wel een bekentenis van de veroordeelde. Ook in de zaak
El Kaada [49] was het bevel tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gegrond op een strafbaar feit dat tijdens de proeftijd zou zijn begaan. Het EHRM overwoog: