ECLI:NL:HR:1997:AA2111

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32117
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 1 letter b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 36 lid 2 letter f Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kantoorruimte in woning voor belastingaanslag 1990

Belanghebbende, werkzaam als juridisch medewerker, gebruikte in 1990 een werkruimte in zijn woning voor zijn werkzaamheden, inclusief vergaderingen. De ruimte had een eigen ingang en was ingericht met bureaus, vergadertafel, kantoorapparatuur en archiefruimte, en werd ook door een secretaresse gebruikt.

De Inspecteur had een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd. Het Gerechtshof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en handhaafde de aanslag op een belastbaar inkomen van ƒ 81.177,--. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat de werkruimte kwalificeert als kantoorruimte in de zin van artikel 36, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het beroep faalde, ook omdat de stelling dat een werkruimte geheel onttrokken aan privégebruik niet als kantoorruimte kan gelden, niet werd ondersteund door de wetstekst of geschiedenis.

De Hoge Raad wees proceskosten af en verwierp het beroep in cassatie, waarmee de uitspraak van het Hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de werkruimte in de woning als kantoorruimte geldt voor de belastingaanslag 1990.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 januari 1996 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 82.015,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze bij ambtshalve genomen beschikking door de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 81.177,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar, 1990, als juridisch medewerker in dienstbetrekking werkzaam was, verrichtte zijn daaraan verbonden werkzaamheden in een werkruimte in zijn woning. Deze werkzaamheden omvatten ook het houden van vergaderingen. De werkruimte, die een eigen ingang heeft, werd ook gebruikt door de secretaresse van belanghebbende, die op halftime-basis in dienst was van de werkgever van belanghebbende. De inrichting van de werkruimte bestond uit twee bureaus, een vergadertafel voor zes personen, kantoorapparatuur, boekenkasten, archiefruimte en een kitchenette met koelkast. 3.2. Een ruimte die aldus is ingericht en wordt gebruikt is een kantoorruimte in de zin van artikel 36, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het van een andere opvatting uitgaande middel I faalt derhalve. 3.3. De in middel II vervatte klacht dat een werkruimte die geheel is onttrokken aan het privégebruik, niet is een kantoorruimte in vorenvermelde zin, faalt omdat die klacht geen steun vindt in de tekst of de geschiedenis van artikel 36, lid 1, let- ter b, of artikel 36, lid 2, letter f, van de Wet. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 19 maart 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.