ECLI:NL:HR:1997:AA2207
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Urlings
- Fleers
- Pos
- Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bestuurdersaansprakelijkheid voor niet-betaalde loonbelasting ondanks beroep op redelijke termijn EVRM
De zaak betreft een bestuurder van een besloten vennootschap die aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van ƒ 6.383 aan niet-betaalde loonbelasting over het tweede kwartaal van 1988. De Inspecteur stelde de bestuurder aansprakelijk op grond van artikel 32a van de Wet op de loonbelasting 1964. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aansprakelijkheid bevestigd.
De bestuurder stelde in cassatie onder meer dat de procedure de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM had overschreden. De Hoge Raad oordeelde dat het vaststellen van een aanslag en de aansprakelijkstelling van een bestuurder een publiekrechtelijke zaak betreft en niet kwalificeert als het vaststellen van een burgerlijke verplichting in de zin van het EVRM. Daarom is artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing op deze procedure.
Daarnaast werd de klacht over het niet tijdig melden van betalingsonmacht behandeld. Het Hof had geoordeeld dat de bestuurder niet aannemelijk had gemaakt dat het niet voldoen aan de meldingsplicht niet aan hem te wijten was. De Hoge Raad bevestigde dat dit een feitelijke beoordeling betrof die in cassatie niet kan worden herzien.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurder. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest is gewezen op 25 juni 1997 door de vice-president Stoffer en raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aansprakelijkheid van de bestuurder voor niet-betaalde loonbelasting wordt bevestigd.