ECLI:NL:PHR:2010:BO7489
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Formele rechtskracht en toepasselijkheid van standaardvoorwaarden bij geruisloze inbreng volgens artikel 18 Wet IB 1964
In deze zaak heeft A op 1 december 2000 zijn onderneming fiscaal geruisloos ingebracht in X Holding B.V. op basis van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Inspecteur gaf een beschikking geruisloze overgang af met standaardvoorwaarden, waaronder voorwaarde 8(a) die de deelnemingsvrijstelling beperkt tot positieve voordelen na inbreng. De BV verklaarde zich schriftelijk akkoord met deze voorwaarden. Na verkoop van de deelneming behaalde de BV een resultaat dat door de Inspecteur werd belast, wat tot geschil leidde over de toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de beschikking formele rechtskracht heeft en dat de standaardvoorwaarden verbindend zijn, ook al had de BV geen bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De BV stelde dat de formele rechtskracht niet op haar van toepassing is, dat voorwaarde 8(a) onverbindend is omdat deze het delegatiekader overschrijdt en het totaalwinstbeginsel schendt. De Hoge Raad bevestigt dat de beschikking formele rechtskracht heeft jegens de inbrenger, maar dat de BV als derde partij deze rechtskracht niet kan tegenwerpen omdat zij niet de geadresseerde van de beschikking is en geen rechtsgang tegen de beschikking had.
De Hoge Raad benadrukt dat de BV wel bezwaar en beroep kan instellen tegen de toepassing van de voorwaarden bij latere aanslagoplegging, met name over de interpretatie en toepassing van de voorwaarden. De Hoge Raad oordeelt verder dat standaardvoorwaarde 8(a) niet buiten het doel van artikel 18 Wet Pro IB 1964 treedt en het totaalwinstbeginsel niet schendt, omdat negatieve waardeveranderingen in de IB-periode al zijn verwerkt en alleen positieve voordelen na inbreng worden belast onder de vennootschapsbelasting. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de beschikking geruisloze inbreng heeft formele rechtskracht jegens de inbrenger en de standaardvoorwaarden zijn verbindend.