ECLI:NL:HR:1997:AA2249
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat betaling wegens hoofdelijke aansprakelijkheid aandeelhouderschap betreft voor vennootschapsbelasting
De zaak betreft een beroep in cassatie van X B.V. tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem over de vennootschapsbelasting 1989. X B.V. had samen met coöperatie A BA een dochtervennootschap B B.V. opgericht, waarbij zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor een krediet van de Rabobank. Na het eerste verliesjaar van B B.V. droeg X B.V. haar aandelen over aan A BA en betaalde een vergoeding van ƒ 250.000,--, waarbij A BA de verplichtingen tegenover de Rabobank overnam.
De Inspecteur stelde dat deze betaling niet in mindering mocht worden gebracht op de winst van X B.V. Het Hof oordeelde dat de aansprakelijkheid en de betaling voortvloeiden uit het aandeelhouderschap en dat de betaling derhalve niet aftrekbaar was. X B.V. stelde in cassatie dat zij handelde als financier en niet als aandeelhouder, en dat de zekerheidstelling gelijk was aan een zakelijke lening.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. Het handelen van X B.V. werd gezien als handelen in haar hoedanigheid van aandeelhouder, aangezien de aansprakelijkheid werd aanvaard als mede-oprichtster en aandeelhouder. Het onderscheid tussen oprichter en aandeelhouder werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de betaling een negatief voordeel uit hoofde van de deelneming betreft en derhalve niet aftrekbaar is. Het beroep werd verworpen en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de betaling van ƒ 250.000,-- niet aftrekbaar is bij de vennootschapsbelasting.