ECLI:NL:HR:1997:AA3310
Hoge Raad
- Cassatie
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid kosteninvordering na naheffingsaanslag omzetbelasting
X B.V. werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 oktober 1989 tot en met 31 december 1993, met een bedrag van f 352.160 aan belasting en eenzelfde bedrag aan verhoging, plus heffingsrente. Op 8 september 1994 werd het aanslagbiljet aan X B.V. uitgereikt en op dezelfde dag om 13.37 uur werd een dwangbevel betekend, waarbij kosten van f 15.000 in rekening werden gebracht.
X B.V. maakte bezwaar tegen deze kosten, maar werd niet-ontvankelijk verklaard door de ontvanger. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigde deze uitspraak en handhaafde de beschikking tot kosteninvordering. X B.V. stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat X B.V. vanaf ongeveer 10.30 uur tot 13.30 uur de gelegenheid had gehad om de belastingschuld te voldoen, ondanks de hoogte van het bedrag. Het Hof achtte deze termijn van drie uur voldoende. Het cassatieberoep faalde, omdat de feitelijke vaststellingen niet in cassatie kunnen worden getoetst en het oordeel over de redelijke termijn geen onjuiste rechtsopvatting bevatte.
Ook het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro werd overschreden door de lange duur van de procedure werd verworpen. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het beroep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en de kosten van vervolging worden bevestigd.