Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1997:AA3335

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32852
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenAlgemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1989

De zaak betreft een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1989 opgelegd aan X B.V. De aanslag werd opgelegd nadat bij de oorspronkelijke aanslag investeringsbijdragen ten onrechte te hoog waren meegenomen. De navorderingsaanslag corrigeerde dit bedrag, maar zonder verhoging.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag, dat door de Inspecteur werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij het Hof Amsterdam, dat de navorderingsaanslag vernietigde. Het Hof oordeelde dat de navorderingsaanslag onterecht was omdat de vermeende vergissing niet aanstonds kenbaar was voor belanghebbende.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad beoordeelde of kennis van de gemachtigde van belanghebbende aan belanghebbende kan worden toegerekend, en of het tijdsverloop tussen oplegging en kennisname door de gemachtigde van belang is. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de navorderingsaanslag onterecht is opgelegd.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen aan de zijde van belanghebbende en legde een recht van f 315,-- op aan de Staatssecretaris, verminderd met reeds betaalde kosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vernietiging van de navorderingsaanslag.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 november 1996 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z over het jaar 1989 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1989 was aan geslagen naar een belastbaar bedrag van f 265.365,--, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van f 13.708,-- en onder vermeerdering van de belasting met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van f 1.575,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag, zonder verhoging, opgelegd, waarbij, onder handhaving van genoemd belastbaar bedrag en genoemde desinvesteringsbetaling, de investeringsbijdragen zijn bepaald op f 2.283,--. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak en de navorderingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag, welke aanslag is opgelegd ter zake van bij de primitieve aanslag tot een te hoog bedrag in aanmerking genomen investeringsbijdragen, in stand kan blijven.
3.2. Ten aanzien van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een met een schrijf- of tikfout gelijk te stellen vergissing en zo ja, of de vergissing al dan niet kenbaar is geweest voor belanghebbende, heeft het Hof geoordeeld dat - zo er al sprake is van een met een schrijf- of tikfout gelijk te stellen vergissing - deze niet aanstonds aan belanghebbende kenbaar behoeft te zijn geweest, zodat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Aan dit oordeel, waartegen het middel zich richt, heeft het Hof met name ten grondslag gelegd: dat de kenbaarheid van de vergissing voor de gemachtigde in dit geval niet aan belanghebbende kan worden toegerekend; dat beoordeeld dient te worden of het belanghebbende zelf bij kennisneming van het aanslagbiljet aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de aanslag onjuist was vastgesteld en dat deze onjuiste vaststelling niet kon berusten op een - zij het mogelijk onjuiste - vast stelling van het belastbare bedrag, doch moest berusten op een schrijf- of tikfout of een daarmee vergelijkbare vergissing.
3.3. Het middel betoogt dat in een geval als het onderhavige, waarin belanghebbende haar belastingaangelegenheden laat verzorgen door een gemachtigde met wie zij een duurzame relatie heeft, kennis en wetenschap van die gemachtigde aan belanghebbende moet worden toegerekend, waarbij aan het tijdsverloop tussen het tijdstip van het opleggen van de aanslag en het tijdstip, waarop die gemachtigde van die aanslag kennis neemt, geen betekenis toekomt. Het middel faalt, aangezien het daarin vervatte betoog geen steun vindt in het recht.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 17 december 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f 315,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van f 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen f 165 ,--.