Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
4.Regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Regelgeving
BB: [27]
5.Beschouwing
redelijkerwijskenbaar is dat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Er is dus sprake van een zekere objectivering. [54] Ook artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR is naar mijn mening zo te zien. [55]
eenfout was gemaakt, dan wel dat duidelijk moest zijn dat de fout het gevolg was van een vergissing. [63] Sinds 2003 lijkt duidelijk dat ‘niet van belang is of tevens kenbaar was waarin de fout bestond’. [64] Na invoering van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR kan er geen misverstand meer over bestaan: ‘Het gaat er niet om waarin de fout is gemaakt – in de aangifte of bij de verwerking van de aangifte tot een belastingaanslag – of dat het de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is welke fout is gemaakt.’ [65]
aanstondsof
onmiddellijkmoest begrijpen. [66] Niet in ieder arrest is dit terug te vinden. [67] In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat ‘[d]e belastingplichtige als het ware in één oogopslag [moet] (hebben) kunnen zien dat de belastingaanslag of een beschikking om geen aanslag op te leggen, niet juist is.’ [68] De fout moet dadelijk te zien zijn bij het kennisnemen van de aanslag, de fout moet aldus ‘direct kenbaar’ zijn. [69]