Uitspraak
2 mei 1997.
Hoge Raad
Eiser trad in augustus 1991 op in de discotheek IT te Amsterdam en er werd een foto van hem gemaakt die door Bios werd gebruikt in reclamefolders en in de GAY-krant. Eiser vorderde een schadevergoeding wegens inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer op grond van artikel 21 van Pro de Auteurswet 1912. De rechtbank stelde dat Bios had bewezen dat vooraf toestemming was gegeven voor het maken en gebruik van foto's, waardoor de vordering werd afgewezen. Het hof bevestigde dit oordeel, maar oordeelde dat er geen toestemming kon worden afgeleid uit de getuigenverklaringen. Het hof vond echter dat de publicaties geen inbreuk maakten op de persoonlijke levenssfeer omdat eiser zich bewust had begeven in een openbare sfeer van erotiek en vrijheid van opvattingen, en dat de publicatie niet ver verwijderd was van zijn optreden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd. Het feit dat eiser binnen een bepaalde kring met het product of de dienst wordt geassocieerd, betekent niet dat publicatie van zijn portret in bredere reclame-uitingen geen inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormt. De commerciële belangen van Bios wegen niet zwaar genoeg om deze inbreuk te rechtvaardigen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, met name voor de vaststelling van de schadevergoeding.
De uitspraak benadrukt het belang van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bij het gebruik van portretten in reclame en stelt dat toestemming of een redelijk belang vereist is om dergelijke publicaties toe te staan.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens inbreuk op persoonlijke levenssfeer door gebruik portret zonder toestemming en verwijst zaak terug voor schadevaststelling.