Conclusie
lookalike. Het filmpje is in het najaar van 2016 door onlinesupermarkt Picnic op haar Facebook-pagina geplaatst. De
lookalikebezorgt in dat filmpje, rijdend in een bestelbusje, boodschappen thuis in een raceoutfit en met een pet die sterk lijken op wat Verstappen draagt tijdens optredens in de media en op het circuit. Het filmpje is online geplaatst daags nadat een televisiereclame van supermarktketen Jumbo verscheen, waarin de werkelijke Verstappen boodschappen thuisbezorgt in een Formule 1 auto. De vraag die centraal staat, is of Verstappen c.s. zich tegen openbaarmaking van het filmpje van Picnic kunnen verzetten en of Picnic onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Verstappen c.s. Het hof heeft deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend beantwoord. Daartegen zijn de klachten van Verstappen c.s. gericht.
1.Feiten
runnersgenoemd).
lookalikevan Verstappen boodschappen van Picnic rondbrengt. De
lookalikedraagt eenzelfde raceoutfit en eenzelfde pet als Verstappen draagt tijdens diens optredens in de media en op het circuit. Het filmpje begint met de
lookalikedie langs een bestelbus van Jumbo loopt en instapt in een bestelbusje van Picnic. In dat bestelbusje rijdt de
lookalikebij wijze van ‘pitstop’ langs het distributiecentrum van Picnic en bezorgt hij de boodschappen van Picnic aan huis. Door het filmpje heen komt de tekst: “
soms doe je iets voor je werk” en “
soms doe je iets voor je lol”. Het filmpje eindigt met de van opzij gefilmde lachende
lookalike, waarna het logo van Picnic verschijnt, met de tekst: “
supermarkt gratis aan huis”.
De Telegraafen het
Algemeen Dagbladgeplaatst. Tevens is het filmpje van Picnic diverse keren vertoond op de landelijke televisie, onder andere in
RTL Boulevard, bekeken door circa 931.000 kijkers, en – fragmenten daarvan – in
Shownieuws, bekeken door circa 624.000 kijkers. In de uitzending van
RTL Boulevardheeft een van de oprichters van Picnic onder meer gezegd:
dat Picnic onrechtmatig jegens Verstappen heeft gehandeld door de openbaarmaking van het portret van Verstappen in de commercial van Picnic” en Picnic veroordeeld tot betaling van € 150.000 aan Verstappen .
lookalike(op persiflerende wijze) wordt nagespeeld een ‘portret’ als bedoeld in art. 21 Aw Pro oplevert of kan opleveren, is in de rechtspraak van Uw Raad nog niet eerder aan de orde gesteld, terwijl het antwoord op die vraag gelet op de toenemende rol van
social mediavermoedelijk ook voor andere gevallen van belang kan zijn. Hetzelfde geldt voor de rol van de persiflerende aard van het filmpje bij de belangenafweging die art. 21 Aw Pro verlangt en bij de toetsing aan de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.
in hoge mate onbehoorlijk” kan zijn om het portret van een ander openbaar te maken en vindt haar oorsprong in een amendement bij de behandeling van het ontwerp voor de Auteurswet 1912. [12] In 1973 is de tekst van art. 21 Aw Pro enigszins aangepast. [13] Die aanpassingen zijn hier niet van belang.
dengene, wien het auteursrecht daarop[op het portret, A-G]
toekomt”, maar volgens de rechtspraak van Uw Raad richt deze bepaling zich ook tot derden. [15] Ook zij mogen het portret onder omstandigheden niet openbaar maken. De vraag of iemand een auteursrecht heeft met betrekking tot het portret en, zo ja, wie, is bij de toepassing van art. 21 Aw Pro in feite niet meer relevant. [16]
in hoge mate onbehoorlijk” zijn (randnummer 3.5 hiervoor). Openbaarmaking van een portret kan de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde en/of zijn commerciële belangen aantasten, waarover hierna meer. De geportretteerde kan zich daarom onder omstandigheden tegen die openbaarmaking verzetten. Als aan de voorwaarden van art. 21 Aw Pro is voldaan, kan de geportretteerde op de voet van art. 3:296 lid 1 BW Pro bij de rechter vorderen dat de openbaarmaking wordt verboden en, zo nodig, dat de staking daarvan wordt geboden. [18] Een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid in verband met een openbaarmaking die zich al heeft voltrokken, biedt art. 21 Aw Pro niet. Die aansprakelijkheid kan bestaan op grond van art. 6:162 BW Pro als aan de daar geregelde voorwaarden is voldaan. [19]
Niet geldt als uitgangspunt dat voor openbaarmaking steeds voorafgaande toestemming van de geportretteerde is vereist.” [21] Waar privacybelangen in het geding zijn, moet het portretrecht volgens Uw Raad wel worden beschouwd als een persoonlijkheidsrecht, waaraan in de regel een zwaarwegend gewicht zal toekomen. [22] Dit geldt, aldus Uw Raad, vooral ten aanzien van geportretteerden die geen publieke bekendheid genieten, in die zin dat zij openbaarmaking van hun portret in beginsel niet behoeven te dulden. [23] Ten aanzien van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, geldt dat niet zonder meer. [24] Hierna zal blijken dat ook in bepaalde andere soorten gevallen, waarin van een persoonlijkheidsrecht (wellicht) geen sprake is, het bestaan van een ‘redelijk belang’ snel moet worden aangenomen.
een afbeelding van het gelaat van een persoon, met of zonder die van verdere lichaamsdelen, op welke wijze zij ook vervaardigd is”, [26] maar deze is gelet op het volgende deels achterhaald. Heel kort kan worden gezegd dat van een portret sprake is als “
iemand herkenbaar is afgebeeld”. [27] Uit de rechtspraak van Uw Raad kunnen inmiddels de volgende nadere criteria worden afgeleid, die in de literatuur verder zijn uitgewerkt:
gelaatvan een persoon. [30] Herkenbaarheid kan ook volgen uit een kenmerkende lichaamshouding, bepaalde kleding of andere uiterlijke kenmerken (te denken valt aan make-up, haardracht en dergelijke). Het is zeker niet nodig dat de geportretteerde poseert. [31]
nietkennen, op basis van het portret een duidelijke voorstelling kunnen maken van dat uiterlijk. [33] Een portret kan dus ook een gedeeltelijke, zijwaartse, abstracte of overdreven (karikaturale) weergave van de kenmerken van de afgebeelde persoon zijn. [34] In dat verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de nogal abstracte (maar niet karikaturale) afbeelding van de contouren van het gezicht van de toenmalige koningin Beatrix op de (laatste) 1-guldenmunt.
lookalikelevert nog niet, zonder meer, een portret van een ander op, want het is nu eenmaal zo dat mensen op elkaar kunnen lijken. [36] Wordt echter kenbaar moeite getroost om de
lookalike, mede gelet op de context waarin deze wordt weergegeven, op die ander te laten lijken, dan zal van een portret sprake zijn als die ander voldoende herkenbaar is. [37] De omstandigheid dat het publiek niet zal zijn geneigd te denken dat de
lookalikedie de geportretteerde naspeelt daadwerkelijk de geportretteerde
is, leidt niet tot de conclusie dat de uiting geen portret is. [38]
Cruijff/Tirion c.s.enkele nuttige aanknopingspunten gegeven voor de door art. 21 Aw Pro verlangde belangenafweging. Het gaat om de volgende:
het persifleren”, wat op zijn beurt wordt omschreven als “
door na te doen belachelijk maken”. In een persiflage schuilt dus per definitie een element van nadoen of naspelen (en daarmee al snel ook van portretteren). Ik zal hierna kortweg spreken van ‘naspelen’. Het zal voor het publiek kenbaar moeten zijn dát er wordt nagespeeld. Als iemand wordt nagespeeld zonder dat het publiek duidelijk wordt dat diegene wordt nagespeeld, kan bezwaarlijk worden gesproken van een persiflage. [52] Dit veronderstelt ook dat degene die wordt nagespeeld al bekend is bij het publiek. [53] De woorden “
belachelijk maken” in de hiervoor aangehaalde omschrijving moeten vermoedelijk niet te negatief worden opgevat. Dit kan worden begrepen als: daarover lachlust opwekken. Die laatste terminologie komen we in de literatuur tegen als het gaat om de parodie, [54] waaraan de persiflage verwant is. [55] Het gaat dus om het opwekken van een komisch effect, wat doorgaans gebeurt door het uitvergroten van bepaalde typerende kenmerken of het in een andere context plaatsen (in contrast plaatsen) van die kenmerken. [56] Er kan ook wel worden gesproken van een humoristische inslag. [57] Bij de vraag of een uiting humoristisch van aard is, is overigens niet van belang of iedereen in het publiek of zelfs een meerderheid van het publiek erom kan lachen, laat staan of degene die wordt nagespeeld erom kan lachen. [58] De rechter moet dan ook niet al te strenge eisen stellen aan wat humor is. [59] Eén ding is hier zonder meer duidelijk: de lengte van de tenen van de geportretteerde is niet maatgevend.
[i]n het kader van de ontwikkeling van de cultuur en bovenal van de vrijheid van meningsuiting,(…)
een beroep op auteursrecht [niet past] om een humoristisch bedoelde uiting, die een karikatuur, parodie of pastiche toch doorgaans bedoeld te zijn, te dwarsbomen.” [63]
Deckmyn-arrest uit 2014 duidelijkheid gegeven over de term ‘parodie’ in art. 5 lid 3 onder Pro k Richtlijn (EG) 2001/29, dat volgens het hof autonoom moet worden uitgelegd. [64] De casus die voorlag, werd overigens niet alleen gekenmerkt door het feit dat een auteursrechtelijk beschermd werk was nagebootst, maar ook door de bepaald controversiële aard van die nabootsing. Een politicus van Vlaams Belang, Johan Deckmyn, had op een nieuwjaarsreceptie van de stad Gent kalenders verspreid met een afbeelding die was geïnspireerd op de cover van het album van
Suske en Wiskevan Vandersteen, eiser in die zaak, met de titel ‘De Wilde Weldoener’. [65] De parodie was van een aard die niet iedereen smaakvol zal vinden. De oorspronkelijke covertekening “
toont een van de hoofdpersonages van dat album[Lambik, A-G]
, gekleed in een wit gewaad terwijl hij muntstukken uitstrooit voor personen die ze proberen op te rapen.” [66] In de nabootsing “
is dit personage vervangen door de burgemeester van de stad Gent en werden de personen die de muntstukken oprapen, vervangen door gesluierde en gekleurde figuren.” [67] Vandersteen, rechthebbende van het auteursrecht, zag een inbreuk op zijn auteursrecht, maar Deckmyn beriep zich op de exceptie (naar Belgisch recht) voor parodieën. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Belgische rechter heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen en geoordeeld. Volgens het Hof van Justitie ligt de grondslag van de parodie-exceptie in de uitingsvrijheid. [68] Naar het oordeel van het Hof van Justitie bestaan de wezenlijke kenmerken van de parodie erin dat een bestaand werk wordt nagebootst, doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk, en dat aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven. [69] Belangrijk zijn ook de voorwaarden die de verwijzende rechter weliswaar tentatief aan het Hof van Justitie had voorgelegd, maar die het Hof van Justitie niet heeft gesteld, namelijk het vertonen van een eigen oorspronkelijk karakter, het behelzen van kritiek op het geparodieerde werk en vermelding van de bron van het geparodieerde werk. [70] Of de parodie (mede) een commerciële achtergrond heeft, lijkt op zichzelf ook niet of nauwelijks relevant. [71] Een parodie die wordt gebruikt in een reclame-uiting lijkt vanuit auteursrechtelijk oogpunt in beginsel eveneens toegestaan. [72]
Deckmyn-arrest wordt dus veel ruimte gelaten voor de parodie. De parodie-exceptie moet niet restrictief worden uitgelegd. [73] Het Hof van Justitie heeft er wel op gewezen dat altijd een rechtvaardig evenwicht moet worden bereikt tussen de belangen van de rechthebbende van het auteursrecht en de uitingsvrijheid van degene die zich op het parodiërende karakter van het gebruik van een beschermd werk beroept. [74] Het spreekt voor zich dat daarbij allerlei aspecten, die het Hof van Justitie niet als voorwaarden heeft willen aanvaarden, weer een rol kunnen spelen als wegingsfactoren. Dat het Hof van Justitie wijst op de noodzaak een rechtvaardig evenwicht te bereiken, verbaast niet gelet op het karakter van de nabootsing die in het specifieke geval aan de orde was: door de rechthebbende van het auteursrecht werd betoogd dat deze een discriminerende boodschap weergeeft waarmee hij niet wilde worden geassocieerd. [75]
a contrarioworden afgeleid dat het bestaan daarvan niet – in enige vorm – kan worden aangenomen. [77] Als humor zelfs een volwaardig intellectueel eigendomsrecht als het auteursrecht aan de kant kan zetten, dan ligt het niet voor de hand dat de meer conditionele en diffuse bescherming van de geportretteerde op grond van art. 21 Aw Pro daartegen volledig bestand is. De bescherming van de geportretteerde is in beginsel minder sterk dan die van degene aan wie een auteursrecht toekomt, terwijl juist het naspelen van een persoon zich bij uitstek voor een parodie leent. [78]
Het moet niet gaan om plagiaat in een als leuk gepresenteerde dekmantel.” [88] Tegen een beroep op het
daadwerkelijkpersiflerende karakter van een reclame-uiting met een concurrerend motief zie ik echter in beginsel geen bezwaar. [89] Concurreren mag nu eenmaal, in uitgangspunt zelfs als wordt geprofiteerd van de populariteit van een ander. [90]
kanonder omstandigheden onder meer het geval zijn als met die uiting wordt ‘aangehaakt’ of ‘aangeleund’ bij (en daarmee geprofiteerd van) de verzilverbare populariteit van die persoon. [97] Ik kan over deze aanvullende bescherming relatief kort zijn, omdat veel van het voorgaande hier evenzeer geldt. Ik zal nu in het verlengde van het voorgaande op enkele aspecten nader ingaan. [98]
smartphonezou bijvoorbeeld, zo kan worden verondersteld, liefst als enige opereren op de markt voor accessoires voor die
smartphones. [101] Andere aanbieders van accessoires profiteren van de aantrekkelijkheid en (dus) marktpositie van de
smartphoneen benutten kansen die – theoretisch – ook de fabrikant zou hebben kunnen grijpen. Men kan deze toestand, zonder daarmee een juridische kwalificatie te geven, zo beschrijven dat er door de ‘profiteurs’ ‘baten’ worden ‘onttrokken’ aan degenen die iets in de markt hebben gezet of anderszins een oorspronkelijke prestatie hebben geleverd in het economisch verkeer. Het gaat echter, bij nadere beschouwing, niet slechts om een verdelingsvraagstuk, waarbij de baten voor de één gelijk zijn aan de (goeddeels theoretische) kosten voor anderen. Voortbouwen op anderen is profiteren, maar niet, althans niet uitsluitend, parasiteren. Wat populair is, voldoet kennelijk aan een vraag. De ‘profiteur’ kan mogelijk verbeteringen aanbrengen [102] of wellicht tegen lagere kosten produceren en in dat geval ‘beter’ aan die vraag voldoen (ten gunste van hemzelf en/of consumenten). Concurrentie, ook door nabootsers, wordt in onze economische ordening in beginsel positief gewaardeerd, een monopolie niet. [103] Concurrentie brengt namelijk, dat is onomstreden, maatschappelijke baten mee, ook als daar slechts een beperkte mate van originaliteit aan ten grondslag ligt. Al voortbouwend kan bovendien een andere markt worden bediend dan de markt van het product waarop werd voortgebouwd en/of kan de functionaliteit van het product worden uitgebreid, eveneens met maatschappelijke baten. In de economische werkelijkheid is, zo kan iedereen waarnemen, perfecte originaliteit uitzonderlijk en voortbouwen van alle dag.
Leesportefeuille-arrest overwoog Uw Raad:
Ja Zuster, Nee Zuster [114] en
Holland Nautic/Decca [115] bevestigde Uw Raad deze lijn. Voortbouwen op de populariteit van een ander kan dus – ook zonder nabootsing en verwarringsgevaar – onder omstandigheden onrechtmatig zijn als het in strijd is met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, maar dat kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat al voortbouwend wordt geprofiteerd van wat een ander tot stand heeft gebracht en die ander daardoor (potentieel) wordt benadeeld. [116] Bijkomende omstandigheden zijn nodig. Ik zie geen reden om in dit verband een onderscheid te maken tussen profiteren van een concurrent en profiteren van een niet-concurrent, hoewel het eerste vermoedelijk sneller onrechtmatig zal zijn dan het laatste. [117]
in beginsel tenminste vereist dat wordt geprofiteerd van een prestatie van dien aard dat zij op één lijn valt te stellen met die welke toekenning van een dergelijk recht[een intellectueel eigendomsrecht, A-G]
rechtvaardigen”. [119] Gelet op wat in deze zaak aan de orde is, is het hier niet nodig om op de precieze implicaties hiervan nader in te gaan. Ik volsta met de opmerking dat een dergelijke ‘prestatiebescherming’ uitzonderlijk is. [120]
social mediaverzilverbare populariteit op vrij merkwaardige wijze kan ontstaan en voortbestaan, waarbij het soms een raadsel is welke prestaties daar nu precies aan ten grondslag liggen. Weliswaar geldt datzelfde zeker niet voor bijvoorbeeld sportieve en artistieke prestaties, maar ook daar zal verzilverbare populariteit doorgaans een uitvloeisel zijn van prestaties én andere aspecten. Populariteit is mijns inziens ook te fluïde en te diffuus om in algemene zin bescherming in de vorm van een ‘exclusief recht’ te krijgen. De vergelijking met het auteursrecht spreekt boekdelen: dáár wordt een concreet ‘werk’ beschermd tegen openbaarmaking en reproductie zonder toestemming van de rechthebbende van het auteursrecht. [124] Hoewel ook daar zeker onduidelijkheden bestaan over wat wel en niet geoorloofd is, zijn er aanknopingspunten aan de hand waarvan de inhoud van het recht kan worden afgebakend. Ik zie, daargelaten dat een dergelijk recht niet wenselijk zou zijn, niet in hoe op dezelfde wijze een eenduidig ‘exclusief recht op verzilverbare populariteit’ kan worden vormgegeven. Zelfs als een dergelijk recht zou worden aanvaard, kan overigens ernstig worden betwijfeld of het bij de beoordeling van de onderhavige zaak de doorslag zou geven. Het ligt dan namelijk voor de hand om naar analogie van de auteursrechtelijke parodie-exceptie aan te nemen dat een filmpje waarin een
lookalikeeen bekende persoon persifleert door de gepersifleerde moet worden geduld (randnummers 3.18 tot en met 3.29 hiervoor).
lookalikeanderzijds. [125] Zij wijzen erop dat de houder van een bekend merk kan opkomen tegen het ‘trekken’ door anderen van ongerechtvaardigd voordeel uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat bekende merk door (kort gezegd) een overeenstemmend teken, ook als er geen verwarringsgevaar kan worden vastgesteld en de merkhouder geen schade lijdt. [126] Volgens hen, zo begrijp ik het betoog, moet in een geval als het onderhavige hetzelfde gelden omdat het uiterlijk van een persoon net als een merk onderscheidingsvermogen heeft. Dat laatste is natuurlijk waar en daarin schuilt inderdaad een parallel. Tegen een analogische toepassing van het merkenrechtelijke leerstuk ‘ongerechtvaardigd voordeel trekken’ op een geval als het onderhavige pleit echter dat het naspelen van een persoon aan de hand van een
lookalikeallerlei functies kan hebben, zoals het publiek informeren over bepaalde gebeurtenissen of het publiek vermaken (al dan niet mede met commerciële motieven). Hierbij kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan de publicatie van een speelfilm waarmee op commerciële wijze wordt geprofiteerd van de (al dan niet verzilverbare) populariteit van een bekend persoon doordat deze daarin wordt nagespeeld. Hiermee worden (potentieel) maatschappelijke baten gegenereerd die degene van wiens verzilverbare populariteit wordt geprofiteerd, niet zonder meer ook
zelfkan genereren. In de context van het gebruik van met merken overeenstemmende tekens zal dat doorgaans anders zijn. Het zal in die context in het algemeen sneller gaan om zuiver ‘parasitair’ gedrag, [127] zonder duidelijke maatschappelijke baten. Bovendien is het genoemde leerstuk van ‘ongerechtvaardigd voordeel trekken’ tot stand gekomen in de specifieke context van het sterk door het Unierecht beïnvloede merkenrecht en is het, buiten die context, moeilijk te verenigen met de vaste rechtspraak waarin het profiteren van de populariteit van (een product van) een ander nog niet op zichzelf onrechtmatig wordt geacht (randnummer 3.33 hiervoor). Zelfs als het leerstuk van ‘ongerechtvaardigd voordeel trekken’ in een geval als het onderhavige analoog zou moeten worden toegepast, dan kan sterk worden betwijfeld of kan worden gesproken van
ongerechtvaardigdvoordeel trekken. Ook in het merkenrecht wordt namelijk rekening gehouden met de parodiërende aard van een uiting en wordt zelfs gepleit voor een parodie-exceptie. [128] Er is veel voor te zeggen dat met een parodie in beginsel niet
ongerechtvaardigdvoordeel wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat bekende merk. [129]
kaneen goed voorbeeld zijn daarvan. Los van auteursrechtelijke aspecten zal het in beginsel onbehoorlijk zijn om bijvoorbeeld een boek uit te geven met foto’s van een persoon met verzilverbare populariteit zonder dat die persoon (en/of een commercieel betrokkene) daarvan profiteert. [130] Dat is een relatief concrete, afgebakende norm, waarbij een aanknopingspunt kan worden gezocht niet zo zeer in de verzilverbare populariteit maar in de foto’s. [131] Hetzelfde geldt voor filmbeelden van de betrokkene. Wellicht kan in die specifieke context ook wel worden gesproken van een voldoende concreet object dat zich voor een voldoende op maat gemaakt exclusief recht (op exploitatie door openbaarmaking) leent. [132] Zonder de maker van bijvoorbeeld zo’n fotoboek te kort te willen doen, is het niet zonder meer de meest originele bijdrage aan het economisch verkeer, terwijl tegelijkertijd in de context van het publiceren van foto’s (of filmbeelden) – die ook al snel de private sfeer van de afgebeelde persoon kunnen raken [133] – een notie van exclusiviteit in beginsel goed voorstelbaar is. Iets vergelijkbaars geldt bijvoorbeeld ook voor advertenties en reclames waarin de afgebeelde persoon zelf figureert. Daar speelt de private sfeer in mindere mate een rol, maar het is in beginsel wel erg ‘parasitair’ om zonder diens toestemming foto’s of filmbeelden van iemand te gebruiken voor een reclame. Daarbij wordt bovendien de suggestie gewekt dat de persoon in kwestie het aangeprezen product of de aangeprezen dienst ondersteunt.
Cruijff/Tirion c.s.in het verlengde van eerdere rechtspraak overwoog dat “
geportretteerden niet behoeven toe te laten dat hun in de uitoefening van hun beroep verworven populariteit commercieel wordt geëxploiteerd door openbaarmaking van hun portretten, zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen”. [134] Volgens mij moet die overweging vooral worden begrepen tegen de achtergrond van het geval (en het soort gevallen) dat daar voorlag (publicatie van een fotoboek of andere gevallen waarin de geportretteerde met een camera in beeld is gebracht) en kan, zoals ik al opmerkte, worden betwijfeld of zij daadwerkelijk voor alle soorten portretten opgeld doet. Volgens het ruime portretbegrip volstaat immers een voldoende mate van herkenbaarheid, waarmee een grote verscheidenheid aan uitingen in beeld kan komen. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan karikaturale tekeningen en speelfilms, waar al snel enig commercieel belang achter schuilt en waarmee de populariteit van de persoon in kwestie in zekere zin kan worden verzilverd. In die gevallen is de private sfeer van de geportretteerde doorgaans niet in het geding en zal niemand menen dat de geportretteerde een product of dienst ondersteunt. De commerciële belangen van de geportretteerde kunnen wel in het geding zijn, maar dat vormt, zo bleek hiervoor al, een te dunne basis voor het aannemen van een exclusief recht. Een exclusief recht met betrekking tot exploitatie van verzilverbare populariteit door het openbaar maken van portretten in generieke zin acht ik dan ook te verstrekkend en ik begrijp het hiervoor genoemde
Cruijff/Tirion c.s.-arrest ook niet zo dat Uw Raad het bestaan daarvan heeft aanvaard. [135] Daar komt bij dat, zo meen ik, het in beginsel vrij staat te persifleren.
lookalikeop persiflerende wijze wordt nagebootst ten behoeve van een reclame-uiting, waarmee wordt geprofiteerd van diens verzilverbare populariteit. De ingrediënten voor een in beginsel ontkennende beantwoording van deze vraag schuilen mijns inziens in het voorgaande: (i) profiteren van wat anderen doen, mag in beginsel en (ii) humor heeft een bijzonder, beschermd plekje in ons recht (de
exceptio humoris [136] ). Daarmee kom ik toe aan de bespreking van het cassatiemiddel.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Vooraf
social mediavermoedelijk toegenomen. Soms heeft dat een vervelend, negatief karakter, maar vaak heeft het een luchtige, vriendelijke aard. Het gaat in deze zaak om de laatste categorie. Het gaat hier om het naspelen van een bekende Formule 1-coureur in een filmpje met een persiflerend karakter [137] dat oorspronkelijk op een Facebook-pagina van Picnic verscheen. Biedt het recht de coureur en zijn commerciële vehikel bescherming tegen zo’n filmpje? Het hof heeft gemeend van niet. Als het bestreden arrest door de wimpers wordt bekeken zonder de juridische
nitty-grittyin ogenschouw te nemen, dan is duidelijk waarom: het filmpje is duidelijk grappig bedoeld, het is niet beledigend voor Verstappen en het argument dat Verstappen door het filmpje in zijn commerciële belangen geschaad is onvoldoende pregnant om aan te nemen dat het ongeoorloofd is. Ik steek niet onder stoelen of banken dat de door het hof bereikte uitkomst mij niet verbaast. De door het hof gekozen weg daarnaartoe kent wel een te scherpe bocht bij de invulling van het begrip ‘portret’ in art. 21 Aw Pro. Ik meen dat het arrest daarom niet in stand kan blijven.
lookalikeen zijn optreden niet als portret van Verstappen in de zin van art. 21 Aw Pro kan worden aangemerkt en (ii) de bescherming van een persoon tegen de openbaarmaking van zijn portret ingevolge art. 21 Aw Pro zich niet uitstrekt tot verspreiding van beeldmateriaal waarin bepaalde kenmerken van de verschijning van een persoon door een ander worden uitgebeeld en/of nagespeeld of nagebootst, doch er geen redelijke twijfel bestaat – bijvoorbeeld door het persiflerende of verwijzende karakter van de beelden – dat het niet die persoon zelf betreft doch slechts iemand die op hem lijkt.
lookalike, kan niet eraan afdoen dat dat beeldmateriaal een portret in de zin van art. 21 Aw Pro is. Dat de
lookalikeen degene die wordt uitgebeeld identieke gelaatstrekken hebben, is niet vereist. Een persiflerend of verwijzend karakter van het beeldmateriaal staat er niet aan in de weg dat dat beeldmateriaal een portret in de zin van art. 21 Aw Pro behelst. De zesde alinea van subonderdeel 1.1 bevat een ‘achtervangklacht’: het hof is in elk geval uitgegaan van een te beperkte uitleg van het begrip 'portret' in art. 21 Aw Pro en/of een te beperkte reikwijdte van de door dat artikel geboden bescherming.
lookalikevan Verstappen met gelijkende gelaatstrekken, die eenzelfde raceoutfit en eenzelfde pet draagt als Verstappen draagt tijdens optredens in de media en op het circuit (rov. 3.1. onder (v)) en (ii) door het uiterlijk en de kleding van de
lookalikeen door het scenario wordt gerefereerd aan het optreden van Verstappen in reclamefilms voor supermarktketen Jumbo (rov. 3.3.2.).
lookalikegaat het erom of die voldoende mate van herkenbaarheid volgt uit inspanningen om de
lookalike, mede gelet op de context waarin deze wordt weergegeven, op die persoon te laten lijken (randnummer 3.11). De omstandigheid dat het publiek niet zal zijn geneigd te denken dat de
lookalikedie de geportretteerde naspeelt daadwerkelijk de geportretteerde
is, staat niet in de weg aan de kwalificatie ‘portret’ (randnummer 3.11). De bestreden oordelen zijn daarmee niet te rijmen. De klachten slagen dus. De volgende stap is dan eenvoudig. In het licht van de hiervoor in randnummer 4.5 aangeduide vaststellingen is de conclusie onontkoombaar dat het filmpje een portret in de zin van art. 21 Aw Pro behelst. [139]
subonderdelen 2.1 en 2.2zich deels voor gezamenlijke bespreking, namelijk voor zover zij betrekking hebben op de maatstaf aan de hand waarvan moet worden bepaald of Picnic met het openbaar maken van het filmpje onrechtmatig heeft gehandeld jegens Verstappen en/of Mavic. Het gaat om de volgende rechtsklachten:
lookalikein een openbaar gemaakt reclamefilmpje (in beginsel) onrechtmatig is jegens die ander, ook als het voor het publiek duidelijk is dat het om een
lookalikegaat. Volgens het subonderdeel geldt dat in elk geval als met de inzet van de
lookalikein een reclamefilmpje wordt geprobeerd te profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van de nagebootste persoon, waarbij zonder financiële vergoeding (voor die nagebootste persoon) profijt wordt getrokken uit de commerciële en/of andere inspanningen die de nagebootste persoon heeft geleverd om zijn, kort gezegd, verzilverbare populariteit te verwerven en te behouden. Daarmee wordt, aldus het subonderdeel, door de nabootsende partij (in beginsel) onrechtmatig voordeel getrokken jegens (eleganter is mijns inziens: onttrokken aan) de nagebootste persoon. Het subonderdeel voegt daar nog aan toe dat dat te meer althans in elk geval geldt, wat het hof heeft miskend, als de nabootsende partij bij die openbaarmaking in commercieel opzicht belang heeft als gevolg van de grote aandacht voor het filmpje en dit voordeel ook heeft beoogd.
lookalikegaat) en evenmin dat het publiek niet zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt. Die omstandigheden nemen, aldus de klacht, immers niet weg dat door de nabootsende partij (zonder vergoeding) wordt geprofiteerd van de populariteit en inspanningen van de nagebootste persoon en dat de zakelijke belangen van de nagebootste persoon daardoor worden geschaad.
lookalikete profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van de nagebootste persoon niet is vereist dat daardoor aan de nagebootste persoon (direct aanwijsbare) schade is berokkend. De onrechtmatigheid is volgens het subonderdeel al gelegen in het (zonder vergoeding) profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van een ander en de daartoe door die ander gepleegde inspanningen, in elk geval (zoals in deze zaak) bij het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond daarvoor.
lookalikevan een bekende persoon acteert, te profiteren van de populariteit van die bekende persoon, zonder dat deze daarvoor een financiële vergoeding ontvangt. De klachten verdedigen, met aanzienlijk meer woorden, verschillende varianten van dat uitgangspunt. Ik houd het hier eerst algemeen en zal hierna nader ingaan op enkele bijzonderheden.
nietonrechtmatig om te profiteren van de populariteit van een ander. Mede in het licht van de uitingsvrijheid, die ook commerciële uitingen beschermt, moeten personen in beginsel ook dulden dat zij in een commerciële uiting worden gepersifleerd. Deze uitgangspunten lijden uitzondering als degene die wordt nagespeeld (zonder rechtvaardigingsgrond) in zijn of haar eer en/of goede naam wordt aangetast of als – zoals het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen – er andere bijkomende omstandigheden zijn die maken dat de uiting maatschappelijk onzorgvuldig is.
lookalikeen Verstappen en of het publiek zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt, wat bijkomende omstandigheden zouden (kunnen) zijn. Evenmin verbaast het dat het hof in dit verband betekenis heeft toegekend – het spreekt in rov. 3.5. van een ‘relevante omstandigheid’ – aan het antwoord op de vraag of Verstappen c.s. concreet nadeel (‘schade’) hebben geleden door het filmpje en of dat nadeel voldoende sprekend is om, in samenhang met andere feiten en omstandigheden, onrechtmatigheid aan te nemen. Het hof heeft met dat laatste evident niet bedoeld dat schade een voorwaarde zou zijn voor het aannemen van onrechtmatigheid. Specifieker heeft het hof kennelijk bedoeld dat voor de vraag of het filmpje onrechtmatig is van belang is of Picnic (
ex ante) rekening moest houden met de kans dat openbaarmaking van het filmpje Verstappen en/of Mavic (in noemenswaardige mate) zou schaden. Het hof heeft kennelijk gemeend dat er voor Picnic geen reden was om schade aan de zijde van Verstappen en/of Mavic te verwachten. Het hof heeft in rov. 3.5. niet geoordeeld of blijk gegeven van de opvatting dat het filmpje alleen jegens Verstappen en/of Mavic onrechtmatig kan zijn als komt vast te staan dat één of beiden (
ex post) schade heeft/hebben geleden.
lookalikein een reclamefilmpje wordt geprobeerd te profiteren van de aantrekkingskracht, populariteit en/of reputatie van de nagebootste persoon, zonder dat deze een financiële vergoeding ontvangt, door de nabootsende partij (in beginsel) onrechtmatig voordeel wordt onttrokken aan de nagebootste persoon. Aan wat ik in randnummers 3.31 e.v. heb uiteengezet, ontleen ik dat er geen reden is om een dergelijke ‘(in beginsel) onrechtmatige profijtonttrekking’ aan te nemen.
ex ante) rekening moest houden met de mogelijkheid van nadeel aan de zijde van Verstappen c.s. door openbaarmaking van het filmpje en tot een ontkennend antwoord is gekomen. Het hof heeft daarbij in rov. 3.5. verschillende aspecten belicht: (i) Jumbo heeft kort na de openbaarmaking van het filmpje het contract met Verstappen verlengd en (ii) de
lookalikeheeft geen rol gespeeld in uitingen waarin ook Verstappen in eigen persoon had kunnen figureren, omdat de sponsorrelatie met Jumbo een dergelijk optreden voor een andere (online) supermarkt door Verstappen niet toeliet. Meer hoefde het hof niet te doen. Ik teken aan dat Verstappen c.s. niet betogen dat het hof door hen aangevoerde
concretefeiten en omstandigheden buiten beschouwing zou hebben gelaten. Dat het betoog van Verstappen c.s. over de abstracte aard van het (potentiële of te veronderstellen) nadeel – namelijk “
in de vorm van een vermindering van de commerciële waarde van de identiteit / het beeld van de nagebootste persoon” – niet kan slagen, volgt al uit het voorgaande. Een absolute bescherming van (de commerciële waarde) van de (verzilverbare) populariteit of reputatie van een persoon biedt het recht niet, in ieder geval niet tegen gedragingen van commerciële (of zelfs concurrerende) aard die die persoon niet op ongeoorloofde wijze in een kwaad daglicht stellen. Voor zover subonderdeel 2.3 (anders dan het hof heeft gedaan en dus zonder feitelijke grondslag) vooruitloopt op eventuele schadebegroting, faalt het eveneens.
ambush marketingvan Picnic wordt toegestaan, niet langer exclusiviteit garanderen, waardoor potentiële sponsors mogelijk niet bereid zullen zijn nog (hetzelfde) te betalen voor sponsorcontracten, terwijl die exclusiviteit allesbepalend is voor Verstappen zijn verzilverbare populariteit, en Mavic een uitgestippelde strategie voert op grond waarvan zij (c.q. Verstappen ) slechts onder strikte voorwaarden (die zich nadrukkelijk niet beperken tot enkel financiële condities) met sponsors in zee gaat. Andere marktpartijen zijn dus gebonden aan voorwaarden en betalen Verstappen voor zijn exclusiviteit en populariteit, terwijl Picnic zich die waarde zonder tegenprestatie toe-eigent. Picnic gebruikt aldus de reclamefilm om naamsbekendheid te genereren en om haar producten te verkopen ten koste van Verstappen .”
de commerciële belangen van Verstappen om zijn identiteit te gelde te kunnen maken”. Deze belangen zouden, zo menen Verstappen c.s. , in het geding zijn door het persiflerende filmpje van Picnic omdat Verstappen geen ‘exclusiviteit’ meer kan garanderen. Dat het hof korte metten heeft gemaakt met dit betoog, vind ik alleszins begrijpelijk. Het hof heeft kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat dergelijke commerciële belangen niet in absolute zin door het recht worden beschermd. Het hof is óók tot het (feitelijke) oordeel gekomen dat – samengevat – die commerciële belangen in dit geval niet in noemenswaardig opzicht worden geraakt. Het hof heeft het in dat verband begrijpelijkerwijs niet geloofwaardig geacht dat door een persiflerend filmpje waarin, zo is mijn vertaling, de draak wordt gestoken met de Jumbo-reclame daadwerkelijk iets zou afdoen aan de mogelijkheid van Verstappen om zinvol exclusieve sponsorcontracten af te sluiten (voor zover dat al – het zij benadrukt – op zichzelf voldoende zou zijn om onrechtmatigheid aan te nemen). Het hof heeft daarbij kennelijk onder andere acht geslagen op de omstandigheden, samengevat, dat – mede gelet op het persiflerende karakter van het filmpje – het publiek niet zal menen dat Verstappen de diensten van Picnic ondersteunt (rov. 3.4.2.) en dat Jumbo na openbaarmaking van het filmpje van Picnic het sponsorcontract met Verstappen heeft verlengd (rov. 3.4.3.). [147] Ik kan dit goed volgen. Dat geldt temeer nu het hof het in dit verband kennelijk óók nog tekenend heeft geacht dat Jumbo zich niet tegen het filmpje heeft verzet, omdat zij de humor ervan inzag. [148]
lookalikein beeld is gebracht op een wijze die aan de reputatie van Verstappen en zijn populariteit bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners afbreuk zou kunnen doen – niet het oordeel kan dragen dat Picnic niet onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat Verstappen en Mavic geen schade hebben ondervonden. Het gaat er, aldus de klacht, immers niet om dat de wijze waarop de
lookalikein beeld is gebracht, afbreuk kan doen aan de populariteit van Verstappen bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners, maar het gaat erom dat het gebruik van het beeld/de identiteit van Verstappen door middel van het inzetten van een
lookalikeop zichzelf al dat nadeel kan toebrengen.
lookalikeniet in beeld is gebracht op een wijze die aan de reputatie van Verstappen en zijn populariteit bij bestaande of potentiële sponsoren of andere contractpartners afbreuk zou kunnen doen niet het onrechtmatigheidsoordeel van het hof dragen, maar dat heeft het hof ook onmiskenbaar niet bedoeld. Het hof heeft dat gegeven als omstandigheid (of mogelijke onrechtmatigheidsgrond) in beschouwing genomen en heeft daarmee niet volstaan, zoals uit het voorgaande blijkt.
associatie” in rov. 3.3.2., laatste volzin. Het filmpje van Picnic refereert immers juist bewust, aldus nog steeds het subonderdeel, door de inzet van de
lookalikeaan het optreden van Verstappen in de reclame voor Picnics concurrent Jumbo, en in zoverre wordt dus wel degelijk een verband gelegd.