Uitspraak
2 mei 1997.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen voormalige aandeelhouders en bestuursleden van een vennootschap en de bank die deze vennootschap financierde. De aandeelhouders vorderen schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de bank, dat zou hebben geleid tot waardevermindering van hun aandelen en het gedwongen verkopen daarvan tegen een te lage prijs.
De rechtbank had de vordering in beginsel toegewezen, stellende dat de bank onzorgvuldig had gehandeld door onder meer het kredietbeleid en de kredietopzegging. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, stellende dat onrechtmatige gedragingen van de bank jegens de vennootschap niet automatisch jegens de aandeelhouders gelden en dat de aandeelhouders gebonden zijn aan eerdere uitspraken over schadevergoeding.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door de gedragingen van de bank jegens de vennootschap en de aandeelhouders niet in onderlinge samenhang te onderzoeken. Ook is de gebondenheid aan eerdere uitspraken onjuist toegepast. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad benadrukt dat de aandeelhouders een eigen vordering hebben wegens persoonlijk onrechtmatig handelen van de bank, los van de vennootschap, en dat hun immateriële schade mogelijk toewijsbaar is. De bank wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor verdere behandeling van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de bank jegens aandeelhouders.