Uitspraak
14 november 1997.
Hoge Raad
Eiser verrichtte sinds maart 1991 onderwijswerkzaamheden voor Schoevers op basis van een mondelinge overeenkomst via zijn commanditaire vennootschap. De betalingen werden aan de vennootschap gedaan, zonder inhoudingen zoals loonbelasting of sociale premies. De toepasselijke arbeidsvoorwaardenregeling bij Schoevers werd niet op eiser toegepast en hij ontving geen vakantiebijslag of ziektebetaling.
Na beëindiging van de overeenkomst vorderde eiser een verklaring van onrechtmatig ontslag en diverse schadevergoedingen, stellende dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zowel de Kantonrechter als de Rechtbank verwierpen deze vorderingen, stellende dat de overeenkomst een overeenkomst tussen Schoevers en de vennootschap betrof en niet tussen Schoevers en eiser persoonlijk.
De Rechtbank oordeelde dat de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst moest worden beoordeeld aan de hand van de bedoeling van partijen en de feitelijke uitvoering. Zij concludeerde dat geen loon in de zin van een arbeidsovereenkomst werd betaald en dat de gezagsverhouding onvoldoende was om van een arbeidsovereenkomst te spreken.
De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en wijst het cassatieberoep af. De klachten over motivering en vermeende onrechtmatigheden in de bewijsvoering worden verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis dat geen arbeidsovereenkomst bestond wordt bekrachtigd.