ECLI:NL:HR:1998:AA2353

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33586
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 letter a onder 1° Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 9 lid 1 letter d Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrek van autokosten voor gehandicapte dochter bij inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van f 105.167,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van f 102.467,--. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De zaak betrof de aftrek van kosten voor de verzorging van de geestelijk en lichamelijk gehandicapte dochter van belanghebbende, die in een gezinsvervangend tehuis woont en niet zelfstandig kan reizen. Belanghebbende bracht een forfaitair bedrag voor levensonderhoud in aftrek, inclusief een evenredig deel van de autokosten voor het vervoer van zijn dochter.

De Inspecteur weigerde deze aftrek omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarde dat de dochter in belangrijke mate door belanghebbende werd onderhouden. Het Hof oordeelde echter dat de autokosten specifiek waren gemaakt voor het vervoer van de dochter en daarom aftrekbaar zijn. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep.

De Hoge Raad benadrukte dat alleen de additionele kosten die specifiek voor het kind zijn gemaakt, tot de aftrekbare kosten kunnen worden gerekend. Normale gezinsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking. De proceskosten werden niet aan de Staatssecretaris opgelegd, en het griffierecht werd deels verrekend met eerdere betalingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het oordeel van het Hof dat autokosten specifiek gemaakt voor het vervoer van de gehandicapte dochter aftrekbaar zijn, wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 30 juni 1997 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 105.167,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 102.467,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbendes geestelijk en lichamelijk gehandicapte dochter, die is geboren in 1969, woont in een gezinsvervangend tehuis. Zij kan niet zelfstandig met het openbaar vervoer reizen. Belanghebbende heeft als uitgaven tot voorziening in haar levensonderhoud als bedoeld in art. 46, lid 1, letter a, onder 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), het in artikel 9, lid 1, letter d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 genoemde forfaitaire bedrag van f 675,-- per kalenderkwartaal, derhalve over het gehele jaar f 2.700,-- in aftrek gebracht. Deze aftrek is door de Inspecteur geweigerd omdat zijns inziens niet is voldaan aan de voorwaarde dat de dochter "in belangrijke mate", dat wil zeggen voor ten minste f 56,-- per week, door belanghebbende is onderhouden. Het Hof heeft belanghebbende in het gelijk gesteld. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat voor het bepalen van de mate waarin belanghebbende zijn dochter heeft onderhouden, moet worden uitgegaan van een evenredig deel van belanghebbendes autokosten en van zijn uitgaven voor kost en inwoning. Het middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat slechts de additionele, niet de integrale kosten tot de kosten van het levensonderhoud van het kind kunnen worden gerekend. 3.3. Het middel faalt wat betreft de autokosten. Die kosten heeft belanghebbende specifiek gemaakt voor het vervoer van zijn dochter en hij zou die uitgaven niet hebben gedaan indien hij zijn dochter niet zou hebben vervoerd. Het gaat dan ook niet om normale gezinsuitgaven. Deze kosten kunnen voor hun werkelijke bedrag, door het Hof terecht gesteld op een evenredig deel van de totale autokosten, tot de kosten van het levensonderhoud worden gerekend. 3.4. Uitgaven welke belanghebbende niet specifiek heeft gemaakt voor het verblijf thuis van de dochter maar ook zou hebben gedaan indien zijn dochter niet regelmatig thuis zou verblijven, kunnen als zijnde normale gezinsuitgaven niet - ook niet voor een evenredig deel - worden gerekend tot de ingevolge artikel 46, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet als buitengewone last aan te merken uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de dochter. Voorzover het middel hierop betrekking heeft is het gegrond maar kan het niet tot cassatie leiden omdat het Hof bij de verdere uitwerking van zijn oordeel met betrekking tot de uitgaven voor kost en inwoning het door de Inspecteur voorgestelde bedrag van f 8,30 heeft gebruikt.
4 Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 juli 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van f 315,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van f 150,--, dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen f 165,--.