ECLI:NL:HR:1998:AA2544
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ondernemerschap bij maatschap ondanks voorbehoud stille reserves en goodwill
Belanghebbende en haar echtgenoot zijn gehuwd buiten gemeenschap van goederen en zijn per 1 januari 1991 een maatschapsovereenkomst aangegaan waarbij de echtgenoot zijn onderneming inbrengt onder voorbehoud van stille reserves en goodwill. De winstverdeling is 75% voor de echtgenoot en 25% voor belanghebbende. De vraag was of belanghebbende winst uit onderneming genoot voor haar werkzaamheden in de tandartspraktijk van haar echtgenoot.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de aanslag van de Belastingdienst verminderd en geoordeeld dat belanghebbende een onderneming dreef in de zin van artikel 6 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964, ondanks het voorbehoud van stille reserves en goodwill door haar echtgenoot. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat belanghebbende geen recht had op een aandeel in de liquidatiewinst en dat de maatschapsovereenkomst geen reële betekenis had.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het voorbehoud van stille reserves en goodwill alleen betrekking had op die reserves die vóór 1 januari 1991 waren ontstaan. Het hof had terecht geoordeeld dat belanghebbende mede-ondernemer was. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak niet, wees het beroep af en verwees het geding terug voor verdere behandeling. Er werden geen proceskosten aan de Staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat belanghebbende winst uit onderneming genoot ondanks het voorbehoud van stille reserves en goodwill door haar echtgenoot.