ECLI:NL:HR:1998:AA2554
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing voorziening toekomstige solvabiliteitsbijdrage vaste transporteurs
Belanghebbende en haar echtgenoot exploiteren een expeditiebedrijf zonder eigen wagenpark en besteden transport uit aan vaste transportondernemingen. Voor het jaar 1994 werd een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, waarbij het geschil ging over de vraag of belanghebbende een voorziening mocht vormen voor toekomstige solvabiliteitsbijdragen aan vaste transporteurs ter ondersteuning in een markt met dalende marges.
Het hof wees de vorming van deze voorziening af omdat op 31 december 1994 geen rechtsverhouding bestond die een verplichting tot financiële ondersteuning opleverde en omdat niet aannemelijk was dat de onderneming noodzakelijkerwijs tot dergelijke uitgaven zou leiden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een juiste maatstaf hanteerde, namelijk dat toekomstige uitgaven hun oorsprong moeten vinden in feiten en omstandigheden vóór de balansdatum en dat er een redelijke mate van zekerheid moet zijn dat deze uitgaven zich zullen voordoen.
Hoewel het hof volgens de Hoge Raad een juiste maatstaf toepaste, leidde de feitelijke situatie tot de conclusie dat de toekomstige betalingen niet hun oorsprong vonden in feiten vóór 31 december 1994. Daarom werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de afwijzing van de voorziening voor toekomstige solvabiliteitsbijdragen bevestigd.