ECLI:NL:PHR:1999:AA2898
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 10 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag inzake tijdelijke werkzaamheden in Duitsland
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen het oordeel van het gerechtshof Amsterdam dat op grond van artikel 10 van Pro het Nederlands-Duitse belastingverdrag het heffingsrecht over het loon van een in Nederland wonende werknemer die tijdelijk in Duitsland werkt, toekomt aan Nederland indien het verblijf in Duitsland niet meer dan 183 dagen per kalenderjaar bedraagt.
De belanghebbende voerde aan dat het begrip 'tijdelijk' in artikel 10 een Pro zelfstandige betekenis heeft en dat hij mocht vertrouwen op een ministeriële uitlating uit 1967 waarin werd gesteld dat het heffingsrecht in zijn geval aan Duitsland toekwam. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het begrip 'tijdelijk' in de context van het verdrag niet zelfstandig betekenisvol is en dat de ministeriële uitlating geen toezegging of gebondenheid van de belastingdienst inhoudt.
Daarnaast werd uitgebreid ingegaan op de herkomst en interpretatie van artikel 10, de betekenis van de 183-dagenregeling, de uitleg van 'tijdelijk' in Nederlandse en Duitse jurisprudentie, en de juridische status van interpretatieve afspraken tussen belastingautoriteiten. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het heffingsrecht over de in Duitsland verrichte werkzaamheden aan Nederland toekomt.
De conclusie bevat tevens een gedetailleerde analyse van de berekeningswijze van het aan Duitsland toe te rekenen loonbestanddeel, waarbij de Duitse methode wordt geprefereerd boven de Nederlandse, teneinde dubbele belastingheffing te voorkomen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het heffingsrecht over het loon van tijdelijk in Duitsland werkzame Nederlandse werknemers komt toe aan Nederland.