Uitspraak
[woonplaats].
30 juni 1998.
Hoge Raad
De verdachte werd door de Economische Politierechter in Arnhem veroordeeld wegens medeplegen van een overtreding van een voorschrift krachtens artikel 2 van Pro de Meststoffenwet 1947. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, terwijl volgens de Wet op de economische delicten enkel cassatie openstond.
Het Hof Arnhem verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, omdat het beroep onjuist was ingesteld door een advocaat. Het Hof vond dat de advocaat de verdachte had moeten informeren over het juiste rechtsmiddel en dat de gevolgen van het onjuist instellen van het beroep voor rekening van de verdachte kwamen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof het beroep had moeten verstaan als een cassatieberoep en de stukken had moeten doorzenden aan de Griffier van de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en stelt vast dat het beroep cassatie is. De stukken worden aan de Hoge Raad overgedragen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verstaat het beroep als cassatieberoep.