ECLI:NL:HR:1999:AA2659
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag omzetbelasting fiscale eenheid
Belanghebbende, een fiscale eenheid actief in de binnenvaart, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1989-1990. Deze aanslag betrof de aftrek van omzetbelasting die verband hield met de levering van twee binnenvaartschepen door een schipper die in Frankrijk woonde. De Inspecteur stelde dat de aftrek ten onrechte was toegepast en legde een naheffingsaanslag op.
Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij het Hof te 's-Gravenhage, dat de naheffingsaanslag en het bezwaarbesluit vernietigde. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht het criterium van de zetel van de bedrijfsuitoefening heeft gehanteerd bij de uitleg van artikel 12 lid 2 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, in samenhang met de Zesde Richtlijn. Het beroep van de Staatssecretaris faalde omdat het Hof geen onjuiste maatstaf toepaste en zijn feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende. Hiermee blijft het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag onterecht is, in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof blijft in stand.