ECLI:NL:HR:1999:AA2742
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing sanctie bij fiscale eenheid en navorderingsaanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een besloten vennootschap, werd aanvankelijk voor het jaar 1990 aangeslagen voor vennootschapsbelasting op een belastbaar bedrag van ƒ 355.223,--. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd van ƒ 865.220,--, welke aanslag door het Gerechtshof Amsterdam werd vernietigd. De Staatssecretaris van Financiën stelde daarop beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De zaak betrof de toepassing van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarbij belanghebbende en haar dochtermaatschappij een fiscale eenheid vormden. Bij oprichting werd de onderneming ingebracht tegen boekwaarde, waarbij een creditering in de boeken van de dochtermaatschappij ontstond. Na vervreemding van de aandelen in de dochtermaatschappij werd de fiscale eenheid verbroken, waarna de sanctie uit de zestiende standaardvoorwaarde werd toegepast.
De kern van het geschil betrof de uitleg van de zestiende standaardvoorwaarde en de daarbij behorende Resolutie van de Staatssecretaris, in het bijzonder of belanghebbende mocht vertrouwen op een sanctietermijn van drie jaar bij overdracht van zelfstandige onderdelen van een onderneming binnen de fiscale eenheid. Het Hof oordeelde dat dit vertrouwen gerechtvaardigd was en vernietigde de navorderingsaanslag. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en legde een recht van cassatie op. Hiermee werd het standpunt van belanghebbende bevestigd dat de sanctie niet onterecht was toegepast en dat het vertrouwen in de Resolutie gerechtvaardigd was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de navorderingsaanslag onterecht was opgelegd.