ECLI:NL:PHR:2003:AI0417
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing anti-misbruikbepaling fiscale eenheid bij pensioenoverdracht
Belanghebbende, X B.V., vormde samen met J B.V. een fiscale eenheid vanaf 17 mei 1991. Door de verkoop van alle aandelen in J B.V. op 24 juni 1996 werd de fiscale eenheid per 1 januari 1996 beëindigd. De Inspecteur stelde het belastbare bedrag hoger vast dan door belanghebbende aangegeven, wat leidde tot bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag.
Centraal stond de vraag of de overdracht van pensioenverplichtingen tussen belanghebbende en J B.V. binnen de fiscale eenheid een wijziging in de samenstelling van het vermogen van J B.V. vormde, waardoor de 16de standaardvoorwaarde (een anti-misbruikbepaling) van toepassing zou zijn. Het Hof oordeelde dat de pensioenoverdrachten in onderlinge samenhang bezien geen besmette transacties waren en dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de vervreemding van aandelen in J B.V. niet tot toepassing van deze voorwaarde leidde.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel. De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt dat de 16de standaardvoorwaarde een restrictieve uitleg verdient, gericht op situaties die gelijk zijn te stellen met het volstoppen van lege of leeghalen van volle dochtervennootschappen. De overdrachten van de pensioenverplichting leidden niet tot een zodanige wijziging in de vermogenssamenstelling. Tevens wordt besproken dat de sanctie van de 16de standaardvoorwaarde proportioneel moet zijn en niet mag leiden tot disproportionele belastingheffing. De conclusie adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.