ECLI:NL:HR:1999:AA2784
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting na parate executie door bank
Belanghebbende, een gefailleerde onderneming, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 22 oktober 1996 tot en met 28 februari 1997. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar en bevestigd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de verkoop van goederen door de bank, als pandhouder die haar recht van parate executie uitoefende, leveringen van goederen door belanghebbende vormde die omzetbelastingplichtig waren. Het Hof oordeelde dat door de uitoefening van het recht van parate executie de goederen het bedrijfsvermogen van belanghebbende verlieten en dat sprake was van leveringen onder bezwarende titel, waarover omzetbelasting verschuldigd was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees de klachten af. De levering vond plaats doordat de bank de opbrengst van de verkoop incasseerde en daarmee haar vordering op belanghebbende verminderde. De stelling dat omzetbelasting alleen geheven kan worden indien de belastingplichtige deze aan de volgende schakel kan doorberekenen, vond geen steun in het recht. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting.