ECLI:NL:HR:1999:AA2793
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt winstneming debiteuren en onderhanden werk in maatschap voor inkomstenbelasting
Belanghebbende, lid van een maatschap, werd voor het jaar 1991 aangeslagen voor inkomstenbelasting op basis van een belastbaar inkomen van ƒ286.020. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat zijn aandeel in debiteuren en onderhanden werk niet tot de winst behoorde omdat deze nog niet waren ontvangen.
Het Hof oordeelde dat het maatschapscontract bepaalt dat belanghebbende gerechtigd is tot de debiteuren en onderhanden werk per balansdatum, tenzij hij niet langer partner is of de bedragen niet worden ontvangen. Het voorzichtigheidsbeginsel verhindert volgens het Hof geen activering van deze posten, en er was geen reden voor een lagere waardering of voorziening.
De Hoge Raad bevestigde dat deze oordelen geen onjuiste uitleg van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bevatten en dat het oordeel over waarderingen feitelijk is en niet in cassatie kan worden getoetst. De Hoge Raad verwierp het beroep en oordeelde dat belanghebbende zijn aandeel in debiteuren en onderhanden werk als winst moet nemen, tenzij er een redelijke verwachting is dat hij die winst niet zal genieten door beëindiging van de maatschap.
De Hoge Raad wees een veroordeling in proceskosten af en stelde het arrest op 30 juni 1999 vast.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd dat debiteuren en onderhanden werk tot de winst behoren.