ECLI:NL:HR:1999:AA2937
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over inbreng economische eigendom in BV bij omzetting onderneming
Belanghebbende bracht in 1995 zijn onderneming in een besloten vennootschap in, waarbij hij slechts de economische eigendom van een aantal onroerende zaken inbracht, terwijl de volle eigendom toebehoorde aan zijn ondernemingsvermogen. De Inspecteur stelde dat artikel 18 van Pro de Wet inkomstenbelasting 1964 vereist dat de volle eigendom wordt ingebracht. Het hof oordeelde dat belanghebbende de standaardvoorwaarden zonder voorbehoud had aanvaard en handhaafde de aanslag op basis van volledige eigendom.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de standaardvoorwaarden zonder voorbehoud waren aanvaard en dat de eis van volledige eigendom niet uit artikel 18 voortvloeit Pro. De Hoge Raad volgde deze conclusie en vernietigde het arrest van het hof en de aanslag van de Inspecteur.
De Hoge Raad stelde vast dat het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 18 toepassing Pro kon vinden bij inbreng van slechts de economische eigendom. De Hoge Raad besloot zelf de zaak af te doen en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 405.958,-- zonder desinvesteringsbetalingen. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 405.958,-- zonder desinvesteringsbetalingen.