ECLI:NL:HR:1999:AA5088
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Huurdersbescherming bij jaarhuurovereenkomsten van zomerwoningen niet uitgesloten
In deze zaak ging het om de vraag of huurovereenkomsten van zomerwoningen, die jaarlijks door de Stichting aan huurders werden verstrekt en verlengd, onder de huurbescherming van artikel 7A:1623a tot en met 7A:1623o BW vallen. De Stichting had de huur per 31 december 1995 opgezegd en stelde dat de woningen als vakantiewoningen van korte duur vielen, waardoor geen huurbescherming zou gelden.
De Kantonrechter wees de vordering van de huurders toe, maar de Rechtbank Middelburg vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. De Rechtbank motiveerde dat huurbescherming niet geldt voor woningen die slechts voor kortdurend gebruik bestemd zijn, zoals vakantie- en seizoenwoningen. Volgens de Rechtbank bood de wet geen bescherming voor het 'tweede dak'.
De Hoge Raad stelde vast dat het gebruik van de woningen niet van korte duur was, mede gelet op de jaarlijkse verlenging van de huur, de onderhoudsverplichtingen en de betaling van diverse lasten door de huurders. Ook het feit dat de huurders elders ingeschreven staan, deed niet af aan de beschermingsbehoefte. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank en bekrachtigde het vonnis van de Kantonrechter, waarmee de huurbescherming van toepassing bleef.
De uitspraak verduidelijkt dat de uitzondering voor kortdurend gebruik restrictief moet worden uitgelegd en dat jaarhuurovereenkomsten van zomerwoningen onder de huurbescherming kunnen vallen indien het gebruik niet van tijdelijke aard is.
Uitkomst: De huurbescherming is van toepassing op de jaarhuurovereenkomsten van zomerwoningen en de opzegging door de Stichting is nietig.