Uitspraak
19 oktober 1999.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte was vrijgesproken van medeplegen moord en veroordeeld voor medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Het Hof had de tenlastelegging verlaten door te oordelen dat het ontbreken van bewijs voor het bestanddeel 'met voorbedachten rade' ook uitsloot dat verdachte medepleger van doodslag was. De Hoge Raad oordeelde dat deze grondslagverlating onjuist was, omdat moord en doodslag dezelfde bestanddelen delen, met uitzondering van het vereiste voorbedachten rade bij moord.
De Hoge Raad vernietigde daarom de vrijspraak voor medeplegen moord en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting van het feit medeplegen doodslag. Tevens werd opgemerkt dat het arrest van het Hof kracht van gewijsde heeft voor de reeds opgelegde veroordeling wegens medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De zaak betreft een incident op of omstreeks 14 november 1996 waarbij verdachte samen met anderen een man met een schietwapen heeft gedood. De Hoge Raad benadrukte dat bij een veroordeling na verwijzing artikel 63 Sr Pro toegepast moet worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak medeplegen moord en verwijst de zaak terug voor berechting medeplegen doodslag.