ECLI:NL:HR:2000:AA5256
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Korthals Altes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van voorziening voor bijzondere risico's in jaarrekening internationale projecten
In deze zaak stond de juistheid van de handhaving van een voorziening voor bijzondere risico's op internationale projecten door Van Oord ACZ B.V. centraal. De voorziening bedroeg 20 miljoen gulden in de jaarrekening 1995, waarvan 10 miljoen gulden was toegevoegd in 1994 voor twee werken in Hong Kong. De Ondernemingskamer had geoordeeld dat deze voorziening niet onjuist was, mede gelet op de grote risico's in de internationale natte aannemerij en de aard van de projecten.
Eiseres stelde in cassatie onder meer dat de Ondernemingskamer onvoldoende had gemotiveerd waarom de voorziening gerechtvaardigd was en dat zij geen oordeel had gegeven over het deel van de voorziening dat betrekking had op een voortijdig beëindigd project in Koeweit. De Hoge Raad verwierp deze klachten en stelde dat de Ondernemingskamer terecht had geoordeeld dat eiseres haar bezwaren niet had gehandhaafd.
De Hoge Raad benadrukte dat bij het vormen van voorzieningen op de balans rekening gehouden moet worden met bestaande risico's die redelijkerwijs zijn te schatten, en dat de ondernemer een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De Ondernemingskamer had voldoende gemotiveerd dat de voorziening nodig was en dat de omvang ervan redelijk was, mede op basis van verklaringen van de accountant en de aard van de joint-venture projecten.
Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van de Ondernemingskamer dat de voorziening in de jaarrekening niet onjuist was.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorziening in de jaarrekening 1995 van Van Oord ACZ B.V. wordt als niet onjuist bevestigd.