ECLI:NL:HR:2000:AA5546
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waarde goodwill bij inbreng advocatenpraktijk in BV
Belanghebbende, een besloten vennootschap (BV), bracht een advocatenpraktijk in als kapitaalstorting, waarbij de goodwill werd gewaardeerd op ƒ 200.000,--. Deze goodwill werd volledig afgeschreven in het eerste boekjaar. De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op, die na bezwaar werd verminderd, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigde de aanslag.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de waarde van de goodwill hoger was dan het door het Hof aangenomen bedrag. De Hoge Raad oordeelde dat, omdat de aanslag inkomstenbelasting van de oprichter van de BV was vernietigd wegens termijnoverschrijding, de waarde van de goodwill niet onherroepelijk vaststond. Het Hof mocht daarom de waarde van ƒ 200.000,-- aanhouden, mede gelet op het arrest van 8 oktober 1997 en het ontbreken van overtuigend bewijs van een hogere waarde.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van aftrekposten bij de belastingplichtige ligt. De Inspecteur hoefde niet het tegendeel te bewijzen. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 19 april 2000 uitgesproken door de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag vennootschapsbelasting met een goodwillwaarde van ƒ 200.000,--.