ECLI:NL:HR:2000:AA5617
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- G.J. Zuurmond
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt premievervangende belastingplicht ondanks godsdienstbezwaar
Belanghebbende was tegen de aanslag inkomstenbelasting 1992 in bezwaar gegaan, omdat hij op grond van zijn geloofsovertuiging vond dat de premievervangende belasting niet op hem van toepassing mocht zijn. Zowel de Inspecteur als het Hof verwierpen dit bezwaar. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het niet mogelijk is om wettelijke voorschriften aan de eigen godsdienstige overtuiging te toetsen en daaraan verbindende kracht te ontzeggen.
De Hoge Raad benadrukt dat de vrijheid van godsdienst, zoals beschermd in artikel 9 EVRM Pro en artikel 18 IVBPR Pro, niet betekent dat men zich kan onttrekken aan wettelijke verplichtingen die niet direct betrekking hebben op de manifestatie van godsdienst. De premievervangende belasting valt hier niet onder.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de regeling niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 26 IVBPR Pro. De wetgever heeft een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de regeling, mede vanwege de solidariteitsgedachte achter de volksverzekeringen. Ook de fiscale behandeling van gemoedsbezwaarden met betrekking tot aftrekposten is volgens de Hoge Raad redelijk en niet discriminerend.
De Hoge Raad wijst het beroep in cassatie af en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de premievervangende belastingplicht blijft van toepassing ondanks godsdienstige bezwaren.