ECLI:NL:HR:2000:AA6126
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt zelfstandigheid verhuur aan maatschap voor omzetbelasting
In deze zaak stond centraal of de verhuur van een ligboxenstal door een belanghebbende aan een maatschap waarvan hij deel uitmaakt, als zelfstandige economische activiteit moet worden aangemerkt voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968.
De Hoge Raad verwees in zijn beoordeling naar een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 januari 2000. Het Hof van Justitie stelde dat artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) aldus moet worden uitgelegd dat verhuur aan een maatschap waarvan de verhuurder deel uitmaakt, als een zelfstandige activiteit wordt beschouwd.
Op basis van deze uitleg concludeerde de Hoge Raad dat sprake is van handelen als belastingplichtige en ondernemerschap in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën werd daarom verworpen.
Daarnaast werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op f 5.680,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de verhuur wordt als zelfstandige economische activiteit aangemerkt.