ECLI:NL:HR:2000:AA6162
Hoge Raad
- Cassatie
- H.L.J. Roelvink
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Wijziging alimentatie na ontdekking samenwoning ten tijde van echtscheidingsconvenant
De zaak betreft een verzoek van de man om de alimentatie aan de vrouw te verlagen vanaf 1 maart 1998, omdat zijn draagkracht was afgenomen en de vrouw was gaan samenwonen met een nieuwe partner. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk, maar het hof vernietigde deze beslissing en stelde de alimentatie op nihil, omdat de vrouw ten tijde van het convenant reeds samenwoonde met haar huidige echtgenoot.
De man voerde aan dat hij bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant niet op de hoogte was van deze samenwoning, en dat dit een wijziging van omstandigheden opleverde die een alimentatiewijziging rechtvaardigde. Het hof ging hierin mee en oordeelde dat de vrouw zich niet meer op de clausule kon beroepen dat samenwonen geen invloed had op de alimentatie.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het feit dat de man pas na het sluiten van het convenant ontdekte dat de vrouw al samenwoonde, geen wijziging van omstandigheden is in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro. De beschikking van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling. De Hoge Raad bevestigt hiermee dat het kennen van feitelijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van een overeenkomst niet als wijziging van omstandigheden kan gelden.
De uitspraak benadrukt het belang van kennis bij het sluiten van overeenkomsten en de beperkte reikwijdte van wijzigingsgronden voor alimentatieverplichtingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug wegens onjuiste toepassing van art. 1:401 lid 1 BW.