ECLI:NL:PHR:2000:AA6162
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging alimentatie na samenwonen en hertrouwen van alimentatiegerechtigde
Tussen partijen, voormalige echtgenoten, werd bij beschikking van 24 april 1996 echtscheiding uitgesproken. Zij sloten op 21 februari 1996 een echtscheidingsconvenant waarin alimentatie voor de vrouw werd geregeld, met een clausule dat hertrouwen of samenwonen geen invloed zou hebben op de alimentatie.
De man verzocht in 1998 om vermindering van de alimentatie wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder het feit dat zijn partner geen eigen inkomsten meer had en dat de vrouw inmiddels samenwoonde met haar huidige echtgenoot. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk, maar het hof Amsterdam oordeelde in 1999 dat ongewijzigde instandhouding van de alimentatie niet van de man mocht worden verwacht, mede omdat de vrouw ten tijde van het convenant reeds samenwoonde met haar huidige partner.
De Hoge Raad overweegt dat wijziging van alimentatie slechts mogelijk is bij gewijzigde omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst voordoen. Samenwonen vóór het convenant is geen gewijzigde omstandigheid in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro, maar kan wel een grond voor vernietiging wegens dwaling zijn. Het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door de onwetendheid van de man over het samenwonen als grond voor wijziging aan te merken. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de alimentatieverplichting wordt beëindigd met ingang van 1 maart 1998.