3.4.1 Het gaat in cassatie om de vraag of het bepaalde in art. 8:792, aanhef en onder c, BW ook ziet op hypotheken op teboekstaande binnenschepen als de onderhavige, die strekken tot zekerheid voor toekomstige schulden. Bij de beantwoording van die vraag moet tot uitgangspunt worden genomen dat de geldigheid van hypotheken die strekken tot zekerheid voor toekomstige schulden - zoals bankhypotheken - als zodanig onomstreden is.
Bij de beoordeling van het middel moet voorts het volgende worden vooropgesteld.
(a) In art. 8: 792, aanhef en onder b en c, BW worden met betrekking tot hypotheken op teboekstaande binnenschepen aanvullende eisen gesteld waaraan de hypotheekakte - naast hetgeen in art. 3: 260 BW is bepaald - moet voldoen. In de parlementaire geschiedenis is dat als volgt toegelicht: "Men zie het bij art. 8.3.2.13 opgemerkte. Het onder b en c bepaalde komt overeen met wat thans onder e en f is bepaald. Anders dan bij art. 8.3.2.13 zijn deze bepalingen gehandhaafd, nu zij uitvoering geven aan het verdrag van Genève." (memorie van toelichting bij het voorstel van wet Aanpassingswet Boek 8, Parl. Gesch. Boek 8, blz. 735). Met "wat thans onder e en f is bepaald" wordt gedoeld op het bepaalde in lid 1 onder e en f van art. 8.8.2.13, zoals dat luidde in de Invoeringswet Boek 8 BW, tweede gedeelte (zie Parl. Gesch. Boek 8, t.a.p.). Met het "uitvoering geven aan het verdrag van Genève" wordt gedoeld op het bepaalde in art. 7 van protocol no. 1 betreffende de zakelijke rechten op binnenschepen bij de Overeenkomst inzake inschrijving van binnenschepen van 25 januari 1965, Trb. 1966, 268. In het onderhavige geval gaat het om de bepaling onder a, die eist dat bij inschrijving van een hypotheek op een binnenschip wordt vermeld het bedrag van de hypotheek en, zo de rente bij dit bedrag wordt opgeteld, de rentevoet. Op de gronden vermeld in de nrs. 2.12 en 2.13 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels moet worden aangenomen dat deze bepaling slechts vermelding van de rentevoet eist in het zich hier niet voordoende geval dat de hypotheek tevens is verleend voor rente die is verschuldigd boven het maximumbedrag waarvoor de hypotheek is verleend. Zij stelt dus niet de eis dat in een geval als het onderhavige, waarin in de hypotheekakte een maximumbedrag is opgenomen waarin ook de verschuldigde rente is begrepen, de rentevoet apart moet worden vermeld. Dit strookt ook met de bedoeling van de opstellers van het evenvermelde verdrag. Zij beoogden onder meer "d’ affermir le crédit sur les bateaux" ("Note explicative" bij het ontwerp-verdrag en de ontwerp-protocollen, nr. 5, Trb. 1971, nr. 30, ook opgenomen in Parl. Gesch. Boek 8, blz. 693).
(b) In het voor hypotheken op zeeschepen geldende art. 8: 202 BW - in het ontwerp art. 3.2.13 - is slechts bepaald dat de hypotheekakte moet voldoen aan de eisen van art. 3: 260 lid 1BW en dat de akte duidelijk de naam van het schip dient te vermelden. Het laten vallen van de in een eerdere versie van deze bepaling nog gestelde eis dat de hypotheekakte zo mogelijk de bedongen rente en het tijdstip of de tijdstippen waarop deze vervalt, dient te vermelden, wordt wat betreft de bedongen rente in de memorie van toelichting bij het voorstel van wet houdende Invoeringswet Boek 8, tweede gedeelte, als volgt toegelicht: "Bij crediethypotheken, die tegenwoordig steeds meer worden gevestigd, is het ondoenlijk de rente op te geven, daar de leningen, waarvoor dergelijke hypotheken worden gevestigd een naar toekomstige standaarden vast te stellen rente zullen dragen." (Parl. Gesch. Boek 8, blz. 273 en 274). In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet Aanpassingswet Boek 8 wordt te dien aanzien nog opgemerkt dat is afgezien van de ook in art. 3: 260 niet gestelde eis van vermelding van bedongen rente en het tijdstip of de tijdstippen waarop deze vervalt. "Nu zij zich niet bij elke hypotheek voordoen, naar hun aard veranderlijk zijn en derhalve aan derden die de registers raadplegen, weinig houvast bieden, ontbreekt goede grond hier van art. 3.9.4.2 af te wijken. "(Parl. Gesch. Boek 8, blz. 274).
Met betrekking tot hypotheken op teboekstaande luchtvaartuigen bevat art. 8: 1310 BW eenzelfde bepaling als het voor hypotheken op teboekstaande zeeschepen geldende art. 8: 202.
(c) Gelet op de summiere toelichting op art. 8: 792, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met de toelichting op art. 8: 202, een en ander zoals weergegeven onder (a) en (b), en in aanmerking genomen de opzet van Boek 8, zoals daarvan onder meer blijkt uit de in punt 2.15 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels vermelde passage uit de parlementaire geschiedenis van Boek 8, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest aan bankhypotheken op teboekstaande binnenschepen strengere eisen te stellen dan de eisen vermeld in art. 7 van het onder (b) vermelde protocol.