ECLI:NL:HR:2000:AA6514
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat vordering op zoon tot privévermogen behoort en wijst beroep af
Belanghebbende kreeg voor 1994 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van f 124.216,--, welke aanslag na bezwaar werd gehandhaafd. Tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende beroep in cassatie in.
De kern van het geschil betrof de kwalificatie van vorderingen op zijn zoon en op een Nederlandse Antillen vennootschap als ondernemingsvermogen dan wel privévermogen. Het Hof oordeelde dat de vordering op de zoon tot het privévermogen behoort, omdat geen gerede kans bestond dat de exploitatie van de onderneming weer voor rekening van belanghebbende zou komen.
Daarnaast wees het Hof het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat geen omstandigheden aanwezig waren die een gerechtvaardigde verwachting schepten dat de Inspecteur de aangiften zou volgen. Ook stelde het Hof vast dat de waardevermindering van de vordering op de vennootschap niet aannemelijk was gemaakt.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af wegens het ontbreken van gronden daarvoor.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vordering op de zoon tot het privévermogen behoort.