ECLI:NL:HR:2000:AA7114

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35581
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • A.G. Pos
  • L. Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:77 Awb
Verwijzingen
4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt Hofuitspraak inzake aanslag inkomstenbelasting 1995 wegens schending hoor en wederhoor

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van f 86.294,--. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad constateerde dat de Inspecteur na de zitting stukken inzond die betrekking hadden op de aangifte, maar dat uit de stukken en de uitspraak niet bleek dat belanghebbende de gelegenheid had gekregen deze stukken in te zien en zich daarover uit te laten. Dit was een schending van het hoor en wederhoor-beginsel. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht gegrond was en dat de uitspraak van het Hof niet in stand kon blijven.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van het arrest. Tevens werd bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën het griffierecht van f 160,-- aan belanghebbende moest vergoeden.

De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten aan de zijde van belanghebbende volgens artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het arrest werd op 8 november 2000 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof wegens schending van het hoor en wederhoor en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 35581
8 november 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juli 1999 betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 86.294,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert dat de tweede klacht doel treft en de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven.
3. Beoordeling van de klachten
De uitspraak van het Hof vermeldt onder 1 dat de Inspecteur na de zitting “op de aangifte betrekking hebbende stukken” heeft ingezonden. Noch uit de uitspraak noch uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende de gelegenheid heeft gehad kennis te nemen van die stukken en zich erover uit te laten. Derhalve moet worden aangenomen dat belanghebbende, zoals hij in de tweede klacht aanvoert, die gelegenheid niet heeft gehad. Deze klacht slaagt mitsdien en de overige klachten behoeven geen behandeling.
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van het Hof;
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest; en
- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160,--.
Dit arrest is op 8 november 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.