ECLI:NL:HR:2000:AA8312

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35537
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • A.E. de Moor
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 49 lid 1 onderdeel b sub 4 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 11 paragraaf 2 Verdrag met België
Verwijzingen
5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onjuiste kwalificatie rente aanmerkelijk belang

Belanghebbende werd aanvankelijk ambtshalve aangeslagen voor een belastbaar inkomen van f 50.000 in 1989. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd op basis van een belastbaar binnenlands inkomen van f 69.454, inclusief een verhoging van 100%, waarvan de helft werd kwijtgescholden. Het Hof vernietigde de verhoging maar handhaafde de aanslag.

In cassatie stelde belanghebbende dat hij op het moment van renteontvangst geen aanmerkelijk belang meer had, omdat hij op 1 oktober 1989 naar België was verhuisd en de aandelen al op 18 mei 1989 had vervreemd. De Hoge Raad oordeelde dat de rente niet als binnenlands onzuiver inkomen kon worden aangemerkt, omdat de wettelijke regeling bedoeld is om belastingontwijking te voorkomen door het kunstmatig splitsen van aandelenbezit binnen vijf jaar.

De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het Hof en de navorderingsaanslag, en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en griffierecht. Hiermee werd de aanslag definitief afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en veroordeelt de Staatssecretaris in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

Nr. 35537
15 november 2000
TVW
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 2 juni 1999 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 ambtshalve was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 50.000,--, is over dat jaar (als buitenlandse belastingplichtige) een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van f 69.454,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijftig percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de navorderingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, de navorderingsaanslag wat betreft de enkelvoudige belasting heeft gehandhaafd en de daarin begrepen verhoging heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.M.H. Römkens, advocaat te Maastricht.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft op 18 mei 1989 zijn aandelen in B.V. A en B B.V. vervreemd. Deze aandelen behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 39 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1989; hierna: de Wet) en maakten geen deel uit van het vermogen van een onderneming.
Op 1 oktober 1989 is belanghebbende naar België verhuisd.
Belanghebbende had vorderingen op vorenbedoelde besloten vennootschappen. In verband hiermee werd door belanghebbende op 24 november 1989 f 69.454,-- aan rente genoten.
3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de ontvangen rente - die door de Inspecteur is belast tegen een tarief van 10% conform artikel 11, paragraaf 2, van het Verdrag met België - behoorde tot het binnenlandse onzuivere inkomen als bedoeld in artikel 49, lid 1, aanhef en onderdeel b, 4°, van de Wet, welke vraag het Hof bevestigend heeft beantwoord.
3.3. Het middel betoogt dat belanghebbende op 24 november 1989 geen aanmerkelijk belang had. Uit de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1962/63, 5380, nr. 19, blz. 72 r.k.) - betreffende de hiervóór in 3.2 vermelde wettelijke bepaling - komt naar voren dat bij de buitenlandse belastingplicht van degenen die een aanmerkelijk belang in een binnen het Rijk gevestigde vennootschap hebben centraal staat de sterke economische binding met Nederland die voortvloeit uit het bezit van een aanmerkelijk belang. De in artikel 39, lid 3, van de Wet bedoelde termijn van vijf jaar is kennelijk in het leven geroepen om te voorkomen dat de houder van een aanmerkelijk belang de heffing voor een belangrijk deel zou kunnen ontgaan door eerst zoveel aandelen te vervreemden, dat het door hem gehouden aandelenpakket niet langer aan de in voormelde wetsbepaling vervatte kwantitatieve eisen voldoet, en vervolgens dit resterende pakket onbelast van de hand te doen.
Met deze strekking is het niet verenigbaar om de door belanghebbende genoten rente te kwalificeren als binnenlands onzuiver inkomen als bedoeld in artikel 49, lid 1, aanhef en onderdeel b, 4°, van de Wet. Het middel slaagt derhalve in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling.
3.4. Gelet op het hiervóór in 3.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten;
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd
geworden griffierecht ten bedrage van f 340,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 15 november 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en op die datum in het openbaar uitgesproken.