ECLI:NL:HR:2001:AA9369

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01264/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 515 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep wegens vermeende partijdigheid rechter in zedenzaken

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf voor meerdere zedendelicten, waaronder ontucht met minderjarigen en wederrechtelijk binnendringen.

Verdachte stelde in cassatie dat het hof in hoger beroep niet onpartijdig was, verwijzend naar een opmerking van de voorzitter tijdens de terechtzitting die volgens hem wijst op vooringenomenheid. De Hoge Raad beoordeelde dit middel en oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.

De enkele opmerking van de voorzitter, waarin hij een getuige sterkte wenst en erkentelijkheid toont, werd niet als zodanig uitzonderlijk of partijdig beoordeeld. Het verzoek tot wraking van het hof werd eerder door het hof zelf afgewezen.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel faalt en dat er geen reden is om het arrest van het hof ambtshalve te vernietigen. Het cassatieberoep wordt dan ook verworpen en de straf blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van achttien maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Uitspraak

9 januari 2001
Strafkamer
nr. 01264/99
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van
29 juni 1999, parketnummer 23/002238-97, alsmede tegen alle op de terechtzitting van
dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 5 maart 1997 - de verdachte ter zake van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde “buiten echt vleselijke gemeenschap hebben met een vrouw die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd, en met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”, het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde “ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”, het in zaak A onder 3 bewezenver-
klaarde “ontucht plegen met zijn minderjarig kind” en het in zaak B bewezenverklaarde “in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat de zaak in hoger beroep niet is behandeld door een onpartijdig gerecht in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. Daartoe doet het middel beroep op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van
18 december 1998 waarin het volgende is vermeld:
“De voorzitter wenst de getuige [..] veel sterkte toe in haar verdere leven en deelt mede dat het hof goed begrijpt welke buitengewoon zware stappen zij heeft moeten zetten om hier vandaag ter terechtzitting een verklaring af te leggen en dat het hof haar daarvoor erkentelijk is”.
3.2. Uit de stukken blijkt, voorzover te dezen van belang, het volgende. Door de verdediging is onder meer op grond van voormelde uitlating een verzoek gedaan tot wraking van de leden van het Hof. Dit verzoek is bij beslissing van een meervoudige kamer van het Hof als bedoeld in art. 515, eerste lid, Sv van 2 maart 1999 afgewezen. Daarna is het onderzoek in de hoofdzaak hervat ter terechtzitting van 5 maart 1999 en, na heropening van het aldaar gesloten onderzoek bij tussenarrest van 19 maart 1999, voortgezet ter terechtzitting van 15 juni 1999.
3.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd.
3.4. De enkele hiervoor onder 3.1 weergegeven opmerking van de voorzitter van het Hof levert niet een zodanig uitzonderlijke omstandigheid op, zodat het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 januari 2001.