ECLI:NL:PHR:2013:BZ9934
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechterlijke onpartijdigheid en schending art. 271 lid 2 Sv in hoger beroep
In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. Het middel van cassatie klaagt over vermeende schending van art. 271, tweede lid, Sv, dat voorschrijft dat de rechter tijdens de terechtzitting geen blijk mag geven van een overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.
De klacht richt zich op uitlatingen van de voorzitter tijdens de terechtzittingen van 9 en 16 februari 2011, waarbij het hof het verhoor van een getuige-medeverdachte onderbrak en opmerkingen maakte over de redelijkheid van vergoedingen in relatie tot de tenlastelegging. Het openbaar ministerie stelde dat deze uitlatingen duidden op vooringenomenheid en dat daardoor het onderzoek nietig zou moeten zijn.
De Hoge Raad analyseert de betekenis van art. 271 lid 2 Sv Pro en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omtrent rechterlijke onpartijdigheid. Hij benadrukt dat de bepaling een richtsnoer is voor de rechter om zijn oordeel over schuld zo laat mogelijk te vormen en dat het niet betekent dat de rechter geen beeld mag vormen tijdens het onderzoek. De uitlatingen van het hof betroffen vooral procesmatige sturing en het verzoek aan partijen om zich over bepaalde bewijsproblemen uit te laten.
De Hoge Raad concludeert dat het hof geen blijk heeft gegeven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld en dat er geen sprake is van vooringenomenheid. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen vooringenomenheid toonde en verklaart het cassatieberoep ongegrond.