ECLI:NL:HR:2001:AA9389
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over omzetbelasting bij diensten van merchant- en investmentbankers en ratingbureaus
Belanghebbende kreeg voor de jaren 1989 tot en met 1992 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Deze aanslag werd door de Inspecteur verminderd na bezwaar, maar het Hof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde de aanslag lager vast. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën stelden beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof.
De kern van het geschil betrof de vraag of de diensten van merchant- en investmentbankers en van ratingbureaus onder de vrijstelling van artikel 6, lid 2, letter d, onder 3°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 vallen. Het Hof had geoordeeld dat de diensten van merchant- en investmentbankers wel onder deze vrijstelling vielen omdat ze vergelijkbaar zijn met diensten van raadgevende personen, maar de Hoge Raad verwierp dit oordeel.
De Hoge Raad stelde vast dat de diensten van merchant- en investmentbankers gericht zijn op het daadwerkelijk tot stand brengen van bedrijfsovernames en fusies, en daarmee een ander en verderstrekkend doel hebben dan de diensten die gewoonlijk door de genoemde beroepsgroepen worden verricht. Ook de diensten van ratingbureaus werden door het Hof niet als vergelijkbaar met die van accountants aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, bevestigde de uitspraak van de Inspecteur en bepaalde dat de aanslag verder verminderd moest worden. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd tot f 2.621.557,-- en het beroep van belanghebbende wordt toegewezen.