ECLI:NL:HR:2001:AA9624
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals-Altes
- D.H. Beukenhorst
- P.J. van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing alleenstaande-ouderaftrek bij onvoldoende verblijf kind
Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1996, waarin de alleenstaande-ouderaftrek werd geweigerd. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of het kind van belanghebbende, als niet samenwonende ouder, voldoende tot zijn huishouden behoorde om aanspraak te maken op de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek volgens artikel 55, leden 5 en 6, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof had geoordeeld dat het verblijf van het kind bij belanghebbende niet in gelijke of vrijwel gelijke mate (minimaal 3 tot 3,5 dag per week) was, en dat de tijd die het kind op school doorbrengt, wel degelijk meegewogen moet worden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten van belanghebbende. Andere klachten werden niet inhoudelijk behandeld omdat zij niet relevant waren voor rechtsontwikkeling of rechtseenheid. De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af.
Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof standhield dat de alleenstaande-ouderaftrek niet toekomt indien het kind niet voldoende in het huishouden verblijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt gehandhaafd.