ECLI:NL:HR:2001:AB0155
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- F.W.G.M. van Bruschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale behandeling van optierechten bij vennootschapsbelasting
Belanghebbende kreeg voor 1992 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar en beroep bij het Hof werd bevestigd. In cassatie stelde belanghebbende dat de waardering van optierechten anders moest plaatsvinden, met name dat ook waardeveranderingen na toekenning in aanmerking genomen moesten worden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en oordeelt dat alleen de waarde van optierechten bij toekenning als ondernemingskosten mag worden gerekend. De relatie tussen houder van de optie en de vennootschap is vergelijkbaar met die van aandeelhouder, waardoor waardeveranderingen buiten het fiscale resultaat blijven.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat een extracomptabele aftrek voor optierechten slechts in het jaar van toekenning mogelijk is en dat de foutenleer en het opnemen van een passiefpost op de balans in dit kader niet van toepassing zijn.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.