ECLI:NL:HR:2001:AB1110

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36444
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 letter e WGVArt. 1 lid 1 letter h WGVArt. 2 lid 1 letter d WGVArt. 9 lid 2 letter a Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing verlaagd btw-tarief op niet-vergunde farmaceutische poeders

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over maart 1998, welke na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de aanslag. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in.

De kern van het geschil betrof de vraag of de door belanghebbende geleverde a-mentholpoeder en a-kinderpoeder als farmaceutische specialité konden worden aangemerkt en daarmee onder het verlaagde btw-tarief vielen, ondanks het ontbreken van een vergunning en inschrijving in het geneesmiddelenregister.

Het Hof oordeelde dat de poeders voldeden aan de wettelijke definitie van geneesmiddel en farmaceutische specialité zoals opgenomen in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, en dat het ontbreken van een vergunning daaraan niet afdoet. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond, waarbij het oordeel van het Hof over de feitelijke waardering niet in cassatie kan worden getoetst.

De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 18 april 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof blijft in stand.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 36444
18 april 2001
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 januari 2000, nr. 98/04567, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 1998 tot en met 31 maart 1998 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 6, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag, vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende vervaardigt onder meer a-mentholpoeder en a-kinderpoeder.
Belanghebbende heeft ter zake van de levering van deze poeders omzetbelasting voldaan naar het verlaagde tarief.
Geen van de poeders is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: WGV).
Aan belanghebbende is geen vergunning verleend als bedoeld in artikel 2, lid 1, letter d, van de WGV.
3.2. In geschil is of de poeders zijn te rangschikken onder post a.6 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) behorende tabel I, in welk geval op de levering ervan het verlaagde tarief van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet van toepassing is.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de poeders voldoen aan de in artikel 1, lid 1, letter e, van de WGV opgenomen definitie van geneesmiddel en tevens aan de in artikel 1, lid 1, letter h, van de WGV voorkomende omschrijving van farmaceutische specialité. De omstandigheid dat de poeders zijn bereid, in een farmaceutische vorm zijn gebracht en in de handel worden gebracht door een persoon die daartoe niet bevoegd is, doet volgens het Hof aan dit oordeel niet af. Op deze gronden heeft het Hof geoordeeld dat de poeders zijn te rangschikken onder post a.6 van de bij de Wet behorende tabel I.
3.4. Het middel bestrijdt evenvermeld oordeel tevergeefs, nu dit niet blijk geeft van een onjuiste opvatting van het begrip farmaceutische specialité als omschreven in artikel 1, lid 1, letter h, van de WGV, en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2001.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van f 630.