ECLI:NL:HR:2001:AB1110
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing verlaagd btw-tarief op niet-vergunde farmaceutische poeders
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over maart 1998, welke na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de aanslag. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in.
De kern van het geschil betrof de vraag of de door belanghebbende geleverde a-mentholpoeder en a-kinderpoeder als farmaceutische specialité konden worden aangemerkt en daarmee onder het verlaagde btw-tarief vielen, ondanks het ontbreken van een vergunning en inschrijving in het geneesmiddelenregister.
Het Hof oordeelde dat de poeders voldeden aan de wettelijke definitie van geneesmiddel en farmaceutische specialité zoals opgenomen in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, en dat het ontbreken van een vergunning daaraan niet afdoet. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond, waarbij het oordeel van het Hof over de feitelijke waardering niet in cassatie kan worden getoetst.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 18 april 2001.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof blijft in stand.