ECLI:NL:HR:2001:AB2011
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Uitleg burgerlijke en handelszaken versus douanezaken in borgtochtovereenkomst TIR-overeenkomst
De zaak betreft een geschil tussen de Staat der Nederlanden en de rechtspersoon PFA over een vordering tot betaling van borgstellingen en hoofdelijk medeschuldenaarschap in verband met niet-zuivering van carnets TIR. De Staat baseert haar vordering op privaatrechtelijke borgtochtovereenkomsten die PFA met de Staat heeft gesloten als voorwaarde voor het afgeven van carnets TIR door nationale vervoerdersorganisaties.
De Rechtbank Rotterdam verklaarde zich bevoegd, maar PFA stelde een exceptie van onbevoegdheid op grond van het EEX-verdrag. Het Hof van Justitie bevestigde de bevoegdheid van de Rechtbank en oordeelde dat de vordering niet onder het EEX valt omdat het een publiekrechtelijke bevoegdheid betreft. PFA stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip "burgerlijke of handelszaak" in art. 1 EEX Pro autonoom moet worden uitgelegd en dat geschillen tussen overheid en particulier over handelingen die niet door particulieren kunnen worden verricht, niet onder het EEX vallen. De Hoge Raad twijfelt of het aangaan van de borgtochtovereenkomsten als een uitoefening van overheidsbevoegdheid moet worden gezien en legt daarom prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. Het geding wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie en schorst het geding.