ECLI:NL:HR:2001:AB3288

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03123/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak voor hernieuwde berechting medeplegen doodslag

In deze strafzaak werd verdachte in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag, terwijl hij in eerste aanleg was vrijgesproken van de hoofdaanklacht. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat het onderzoek ter terechtzitting van het hof op 4 februari 2000 nietig zou zijn wegens het ontbreken van de volledige pleitnotities van de raadsman in het geding.

De Hoge Raad stelde vast dat de pleitnotities die aan het proces-verbaal waren gehecht geacht moesten worden volledig te zijn, tenzij bijzondere omstandigheden het tegendeel bewezen. In deze zaak waren er geen aanwijzingen dat de pleitnotities onvolledig waren. Daarom faalde het middel dat het onderzoek nietig verklaarde.

Desondanks achtte de Hoge Raad het noodzakelijk om de zaak te verwijzen naar een rolzitting voor een nadere conclusie van de Advocaat-Generaal over de overige middelen. De verdere beslissing werd aangehouden. Hiermee werd de procedure voortgezet zonder dat de Hoge Raad reeds inhoudelijk op alle klachten had beslist.

De uitspraak werd gedaan door een kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president W.J.M. Davids op 9 oktober 2001. De zaak betreft een belangrijke procedurele toetsing van de volledigheid van processtukken in cassatie en de voorwaarden waaronder een onderzoek ter terechtzitting nietig kan worden verklaard.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere behandeling, met aanhouding van verdere beslissing.

Uitspraak

9 oktober 2001
Strafkamer
nr. 03123/00
KD/EDK
Hoge Raad der Nederlanden
Tussenarrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 februari 2000, nummer 20/000754-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1978, ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Oosterhoek" te Grave.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 19 februari 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van subsidiair "medeplegen van doodslag" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.
Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat het onderzoek ter terechtzitting van het Hof van 4 februari 2000 nietig is, aangezien zich bij de stukken van het geding niet de volledige door de raadsman van verdachte aldaar overgelegde pleitnotities bevinden. Hiertoe wordt aangevoerd dat uit de redactie van met name de laatste zin van de laatste pagina (genummerd 4) van de aangehechte pleitnota volgt dat de overgelegde pleitnota méér bevatte dan de vier pagina's waaruit het aangehechte exemplaar bestaat.
3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2000 (p. 13-14) houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging. De raadsman pleit daartoe -zakelijk weergegeven- :
Ik verzoek primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren (...)
De raadsman voert vervolgens aan hetgeen is vervat in de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnotities, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast."
3.2.2. Aan genoemd proces-verbaal is allereerst gehecht een pleitnota die is voorzien van de volgende aanhef:
"Pleitnotities inzake [betrokkene A] & [verdachte]
Zitting Gerechtshof te Den Bosch d.d. [zie hierna] te 9.30 uur.
Advocaat; A.S. van der Biezen."
De in de aanhef van deze (eerste) pleitnota vermelde datum (9 november 1999) is doorgehaald. Daarom moet
worden aangenomen dat deze pleitnota was bedoeld om voorgedragen te worden ter terechtzitting van het Hof van 9 november 1999, hetgeen niet is geschied ten gevolge van de aanhouding van de behandeling van de zaak aldaar tot de terechtzitting van 17 januari 2000.
3.2.3. Voorts is aan dit proces-verbaal een pleitnota gehecht die vier bladzijden, genummerd 1 tot en met 4, omvat en is voorzien van de volgende aanhef:
"Pleitnotities inzake gebroeders [...]/OM
Zitting d.d. 4 februari 2000
Gerechtshof te Den Bosch.
te 9.30 uur.
Advocaat: A.S. van der Biezen."
Deze (tweede) pleitnota behelst - zakelijk weergegeven - een bespreking van getuigenverklaringen die op de
terechtzittingen in hoger beroep van 9 november 1999 en 17 januari 2000 zijn afgelegd. De laatste bladzijde van de aangehechte pleitnota houdt het volgende in:
Zie Gommans omtrent verhoor [betrokkene B].
Zie verklaring [betrokkene C].
[Volgt een wit gedeelte van bijna een halve pagina.]
[Betrokkene B]; "De politie heeft mij gesuggereerd hoe [betrokkene D] in het water terecht is gekomen".
"Ik herinner me nog wat ik op 4 november 1998 heb verklaard. Bij die verklaring was verbalisant Sijbers en nog een andere verbalisant aanwezig, waarschijnlijk verbalisant Gommers. Het was echter het initiatief van verbalisant Sijbers. De andere
[Volgt wederom een wit gedeelte van ca. 1/3 pagina.]
3.3. In een geval als het onderhavige, waarin het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof inhoudt dat door de raadsman pleitnotities zijn overgelegd "welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast", moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de pleitnotities die zijn gehecht aan de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, zowel wat inhoud en omvang betreft dezelfde zijn als die welke door de raadsman zijn overgelegd. Dat is slechts anders indien in cassatie op grond van bijzondere omstandigheden moet worden aangenomen dat bij de aanhechting sprake is geweest van een misslag, ten gevolge waarvan het aangehechte stuk niet of niet volledig overeenkomt met hetgeen door de raadsman is overgelegd.
3.4. Een zodanige bijzondere omstandigheid doet zich hier niet voor. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, is er geen grond om aan te nemen dat laatstgenoemde pleitnotities afwijken van die welke door de raadsman zijn overgelegd.
3.5. Het middel faalt dus.
4. Slotsom
In de conclusie van de Advocaat-Generaal is slechts het door de Hoge Raad ongegrond bevonden middel behandeld. Hij behoort in de gelegenheid te worden gesteld zich alsnog uit te laten over de overige middelen. Daartoe dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 november 2001 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal;
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 oktober 2001.