ECLI:NL:HR:2001:ZC3651

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C99/340HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • J.B. Fleers
  • O. de Savornin Lohman
  • R. Herrmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen arrest Hof Amsterdam na getuigenverhoor

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser verworpen tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 8 juli 1999, waarin het vonnis waarvan beroep was bekrachtigd. Na verwijzing door de Hoge Raad zijn door het Hof meerdere getuigen gehoord, waarna het Hof zijn arrest heeft gewezen.

Eiser tot cassatie vorderde vernietiging van het arrest van het Hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie, begroot op ƒ 9.507,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris van de zijde van verweerster. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 21 september 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser is verworpen en eiser is veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

21 september 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/340HR
NS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. G.R. van der Plas,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het verloop van het geding
Voor het verloop van dit geding tussen thans eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en thans verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - verwijst de Hoge Raad naar zijn arresten van 8 april 1994, nr. 15.297 en 2 mei 1997, nr. 16.223, NJ 1998, 237.
Bij laatstgenoemd arrest heeft de Hoge Raad het principaal beroep verworpen, in het incidenteel beroep het arrest van het Hof te Amsterdam van 26 oktober 1995 vernietigd en het geding naar dat Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Na verwijzing zijn door het Hof een aantal getuigen gehoord.
Bij arrest van 8 juli 1999 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 9.507,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer R. Herrmann 21 september 2001.