ECLI:NL:HR:2001:ZD1854

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02948/00 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.M.M. Orie
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 WED (oud)Art. 60 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 437 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-tijdige indiening schriftuur in economische delictenzaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch de verdachte veroordeeld voor overtreding van een voorschrift krachtens artikel 60, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, gepleegd door een rechtspersoon. Het vonnis van de Economische Politierechter werd vernietigd en het hof legde zeven geldboeten op.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De schriftuur van de advocaat werd echter niet binnen de door de Wet op de economische delicten gestelde termijn ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van art. 56 (oud) WED, waardoor de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

De Hoge Raad benadrukte dat alleen middelen van cassatie die een stellige en duidelijke klacht bevatten over de schending van rechtsregels of vormvoorschriften in aanmerking komen. De klacht in de schriftuur richtte zich op de motivering van de bewezenverklaring in het door het hof vernietigde vonnis, hetgeen niet volstaat.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 10 juli 2001. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens niet-tijdige indiening van de schriftuur conform art. 56 WED (oud).

Uitspraak

10 juli 2001
Strafkamer
nr. 02948/00 E
ACH/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 mei 2000, parketnummer 20/002961-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 februari 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift krachtens artikel 60, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, zeven maal gepleegd" veroordeeld tot zeven geldboeten van elk vijfhonderd gulden.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in
art. 437 Sv Pro. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, reeds omdat de daarin vervatte klacht zich richt tegen de motivering van de bewezenverklaring in het door het Hof vernietigde vonnis van de Economische Politierechter.
3.2. Het beroep in cassatie betreft een uitspraak van een economische kamer als bedoeld in de Wet op de economische delicten. Nu de verdachte niet binnen de door die wet gestelde termijn door een advocaat een schriftuur met middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 56 (oud) WED, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.