ECLI:NL:HR:2001:ZD2718

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02019/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.M.M. Orie
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 SvArt. 330 SvArt. 225 lid 1 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in strafzaak oplichting en valsheid in geschrift

In deze strafzaak werd verdachte door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor meervoudige oplichting, poging tot oplichting, valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik van vals geschrift, gepleegd door een rechtspersoon waarbij verdachte feitelijke leiding gaf aan de verboden gedragingen. Het hof legde een gevangenisstraf van 24 maanden op met verbeurdverklaring.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. Het middel in cassatie betrof het verwijt dat het hof niet had beslist op een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen, dat volgens verdachte was vervat in een pleitnota uit eerste aanleg. De Hoge Raad oordeelde dat het enkele overleggen van een pleitnota uit eerste aanleg tijdens de terechtzitting in hoger beroep niet kan worden aangemerkt als een verzoek tot het horen van getuigen in de zin van artikel 330 Wetboek Pro van Strafvordering.

Verder bleek uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat geen dergelijk verzoek was gedaan. Daarom kon het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad vond geen reden om ambtshalve tot vernietiging over te gaan en verwierp het beroep. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren op 22 mei 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

22 mei 2001
Strafkamer
nr. 02019/99
NS/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 april 1999, parketnummer 22-001172.98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats]
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 27 november 1997, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen,- de verdachte ter zake van 1. "oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en "poging tot oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 2. "valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en 3. "opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft beslist op het verzoek tot het oproepen en horen van getuigen, welk verzoek is vervat in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota in eerste aanleg.
3.2. Het, door de voorzitter en de griffier vastgestelde en ondertekende, aanvullend proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 april 1999 houdt onder meer in:
"In het proces-verbaal d.d. 7 april 1999 is op bladzijde 6, ten gevolge van een misslag abusievelijk opgenomen dat de raadsman een pleitnota, met bijlagen, heeft overgelegd. De raadsman heeft namelijk zijn in hoger beroep gemaakte opmerkingen niet op schrift gesteld.
Wel heeft hij opgemerkt dat door hem in eerste aanleg een pleitnota was overgelegd."
3.3. Het middel kan niet tot cassatie leiden reeds omdat het enkele ter terechtzitting in hoger beroep overleggen van een in eerste aanleg overgelegde pleitnota, als in het middel vermeld, niet kan gelden als het doen van een verzoek van de verdachte, als bedoeld in art. 330 Sv Pro. Noch uit het hiervoor onder 3.2 weergegevene noch overigens uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep blijkt dat aldaar een verzoek is gedaan om getuigen te horen.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 mei 2001.