ECLI:NL:PHR:2002:ZD2844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening na wrakingsverzoek
Verdachte werd op 2 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens rijden onder invloed. Verdachte stelde vier middelen van cassatie in, maar het was twijfelachtig of hij tijdig beroep had ingesteld. Tijdens de terechtzitting van 17 februari 2000 diende verdachte een wrakingsverzoek in en verliet de zittingszaal om een andere zitting bij te wonen.
Het Hof schortte het onderzoek kortstondig op om de wrakingskamer te laten beslissen, waarna het onderzoek werd hervat zonder dat verdachte aanwezig was. De Hoge Raad oordeelde dat het onderzoek niet voor onbepaalde tijd was geschorst en dat verdachte, die ter terechtzitting was verschenen, het beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak had moeten instellen.
Verdachte voerde aan dat hem niet was medegedeeld wanneer de zitting zou worden hervat, wat in strijd zou zijn met artikel 319 Sv Pro. De Hoge Raad stelde echter vast dat verdachte zelf verantwoordelijk was voor zijn onwetendheid door voortijdig de zittingszaal te verlaten en niet te informeren naar het verdere verloop.
De Hoge Raad concludeerde dat er geen sprake was van een vormverzuim door het Hof en dat de termijnoverschrijding niet buiten schuld van verdachte lag. Daarom werd verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens te late indiening.