Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
[getuige]. hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam (…), wordt toegewezen.
29 oktober 2019te
9.00 uur, met bevel tot oproeping van de getuige [getuige] tegen die dag en dat tijdstip en met aanzegging daarvan aan de verdachte en diens raadsvrouw.’
‘Het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak, temeer nu de zaak al twee keer eerder aangehouden is geweest en de verbalisant als getuige ter zitting is verschenen.’
beginnenmet horen [getuige]
eerstemiddel klaagt dat het hof het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2020 heeft afgewezen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of – zo begrijp ik – ontoereikende gronden.
NJ2017/387 m.nt. Keulen overwoog Uw Raad:
tweedemiddel, dat – als gezegd – gelijkluidend is aan het eerste middel, klaagt eveneens dat het hof het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2020 heeft afgewezen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of – zo begrijp ik – ontoereikende gronden. Blijkens de toelichting neemt het tweede middel, anders dan het eerste, tot uitgangspunt dat het hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen met de motivering die in het proces-verbaal van de terechtzitting is opgenomen, met inbegrip van de bewoordingen ‘Het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak, temeer nu de zaak al twee keer eerder aangehouden is geweest en de verbalisant als getuige ter zitting is verschenen’.
eerstedeelklacht luidt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat de raadsman aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken omdat hij nog geen verklaring heeft kunnen afleggen en een straftoemetingsverweer wenst te voeren. Het hof zou ten onrechte hebben verzuimd te oordelen of deze omstandigheden aannemelijk zijn en/of een grond vormen voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, althans het hof zou dat ten onrechte niet kenbaar hebben gemaakt in zijn oordeel.
tweededeelklacht vertoont enige overlap met de eerste deelklacht. In het kader van de tweede deelklacht betoogt de steller van het middel in de eerste plaats dat het hof bij de vereiste afweging ten onrechte niet het aanwezigheidsrecht van de verdachte heeft betrokken, althans daarvan ten onrechte geen blijk heeft gegeven in zijn motivering. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof bij zijn afweging ten onrechte niet de volgende door de raadsman aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden heeft betrokken, althans daarvan ten onrechte geen blijk heeft gegeven in zijn motivering: (1) het belang van de verdachte om een verklaring af te leggen en een straftoemetingsverweer te voeren, nu hij in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld en dientengevolge niet zijn verhaal heeft kunnen doen en (2) het belang van de verdachte om niet zijn verblijfsvergunning te verliezen, in welk verband de raadsman heeft gewezen op de in eerste aanleg opgelegde straf.
NJ2019/66 was sprake van een door de raadsvrouw voorafgaand aan de terechtzitting per e-mail gedaan aanhoudingsverzoek. Het hof had het verzoek op de terechtzitting afgewezen en daartoe overwogen dat de raadsvrouw voorafgaand aan de terechtzitting ‘zonder enige motivering’ dat verzoek had gedaan, terwijl noch de verdachte noch diens raadsvrouw ter terechtzitting was verschenen om redenen op te geven voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Daarin lag volgens Uw Raad als oordeel van het hof besloten dat door of namens de verdachte niet was vermeld waarop het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak steunde, zodat het verzoek moest worden afgewezen. Uw Raad achtte dat oordeel, ook in het licht van het e-mailbericht van de raadsvrouw, niet onbegrijpelijk.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte - of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient echter dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd - ware het juist - in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder tot de hierna weer te geven afweging van belangen over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Indien zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
(Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
mogelijkeof
vermoedelijkereden van afwezigheid van de verdachte in voorkomende gevallen reeds gelden als de vereiste aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid. [21]
derdedeelklacht houdt in dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek is gebaseerd op onbegrijpelijke en/of – zo begrijp ik – ontoereikende gronden. De steller van het middel voert daartoe aan dat, hoewel de bij de afwijzing gebruikte term ‘temeer’ duidt op nadere aan de afwijzing ten grondslag gelegde gronden, het hof het belang van een voortvarende rechtspleging de bovenhand heeft gegeven louter omdat het onderzoek ter terechtzitting twee keer was aangehouden en op 16 januari 2020 een getuige ter terechtzitting was verschenen. De steller van het middel wijst erop dat de raadsman heeft aangevoerd dat de eerdere aanhoudingen niet aan de verdediging waren te wijten en dat de raadsman de verschenen getuige in afwezigheid van de verdachte wilde horen, zodat volgens de raadsman ‘de schade van de aanhouding beperkt’ was. Daarom zou nadere toelichting verdienen waarom het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het aanwezigheidsrecht nu de zaak tweemaal was aangehouden, waarvan ‘kennelijk eenmaal omdat het hof een tijdig ingediende appelschriftuur wegens een eigen gebrekkige administratie niet bij de processtukken heeft gevoegd’ en een tweede keer omdat een door het hof opgeroepen getuige was verhinderd.