ECLI:NL:HR:2001:ZD2857
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- W.J.M. Davids
- A.M.M. Orie
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering en corrigeert toepasselijke verdragsbepaling
De zaak betreft een cassatieberoep van de opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Arnhem die de uitlevering aan Duitsland toelaatbaar verklaarde. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk zijn op grond van art. 31, vierde lid, van de Uitleveringswet.
De Hoge Raad constateert dat in de bestreden uitspraak abusievelijk art. 12 EUV Pro niet als toepasselijke verdragsbepaling is vermeld, terwijl dit wel had moeten gebeuren. De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis voor zover deze bepaling ontbreekt en voegt art. 12 EUV Pro toe als toepasselijke verdragsbepaling.
De Hoge Raad verklaart voorts de uitlevering toelaatbaar met betrekking tot de feiten zoals omschreven in het Haftbefehl, inclusief een aanvulling die bij vergissing was weggelaten. Het beroep wordt voor het overige verworpen, waarmee de uitlevering definitief wordt bevestigd.
De uitspraak is gewezen door een kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president W.E. Haak en uitgesproken op 19 juni 2001.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar, vernietigt het vonnis wegens het ontbreken van art. 12 EUV en wijst het beroep voor het overige af.